Sola Scriptura? Hervatting van een gesprek

Discussie Klaassen – Wisse

Het Reformatorisch Dagblad was de afgelopen dagen het toneel van een discussie over het sola scriptura tussen Maarten Klaassen en Maarten Wisse. Op die discussie haak ik hier graag in. Voor wie zich wil inlezen: Klaassen, Wisse en weer Klaassen. Om het ingewikkeld te maken: op de achtergrond speelt een eerdere discussie in het Nederlands Dagblad rond soortgelijke vragen, toegespitst op de kwestie “Vrouw en ambt”. Wisse stelde: “Zoek nieuwe omgang met de Bijbel”, Klaassen zei: “Hoor de stem van de overkant” en Wisse zette de discussie voort op zijn weblog.

In dit blog beperk ik me tot de discussie in het RD.

Onheldere discussie

Ik vind de discussie tamelijk onverkwikkelijk. Niet alleen omdat Klaassen nogal fors uitpakt en Wisses opvatting “bedreigend” en “niet onschuldig” noemt, als zou de enige grond waarop je kunt staan (de rechtvaardiging van de goddeloze), je ontzinken. Dat zijn forse claims en Wisse toonde zich dan ook – begrijpelijk – geraakt. Maar vooral is de discussie onverkwikkelijk omdat ze onhelder is. Als het sola scriptura nu zo belangrijk en helder is als Klaassen betoogt, waarom wordt dan maar niet helder wat hij bedoelt? Gaat het om sola scriptura als principe of als methode (dat maakt nogal verschil, zou ik zeggen)? Gaat het om het Schriftberoep in de theologie, gaat het om kenleer of redding, om een historisch begrip uit de Reformatie (of zelfs daarachter) of om een theologische richtlijn? Of is het dat allemaal tegelijk?

Daartegenover blijft Wisse benadrukken dat mensen de Schrift verschillend gebruiken en dat een beroep op de Schrift als laatste autoriteit nogal eens gebruikt wordt om het eigen standpunt absolute kracht te geven. Wisse vreest een machtsgreep onder vrome voorwendselen. Hij schreef daarover een uitgebreider artikel “Contra Sola Scriptura”, dat ik mocht inzien. Maar is het zo dat oog hebben voor de diversiteit van Schriftgebruik per se elke vorm van sola scriptura uitsluit? Welke vormen wel en welke vormen niet?

En hier praten de heren dan langs elkaar heen. Klaassen spant zich in zijn tweede artikel niet in om te laten zien dat een beroep op het sola scriptura niets met een machtsgreep te maken heeft en Wisse toont niet aan dat grotere nadruk op wat er bij de lezer gebeurt, niet resulteert in de stelling dat alles wat we over Boven zeggen, maar van beneden komt. Beiden komen elkaars bezwaren dus niet tegemoet. Daar zou nog eens een goed gesprek over gevoerd kunnen worden, denk ik zo.

Laat me voorzichtig pogen een paar draadjes in de discussie op te pakken, die mogelijk de zaak een stapje verder kunnen brengen. Want onenigheid is prima, maar laten we dan wel helder krijgen waarover we het oneens zijn.

Machtsgreep?

Is het nu denkbeeldig dat sola scriptura wordt gebruikt voor een machtsgreep? Nee, zegt ook Klaassen, en hij stemt met Wisse in dat we transparant en oprecht de Schrift moeten hanteren, want vanuit de “negatieve mensbeschouwing die de gereformeerde traditie eigen is” moeten we wantrouwend zijn over de mens.

Of die mensbeschouwing van de gereformeerde traditie echt zo negatief is, daarover moeten we het nog maar eens hebben. Maar het opvallende is dat Klaassen meent dat hij hiermee voldoende op het punt is ingegaan! Als het je voornemen is om oprecht met de Schriften om te gaan, voorkomt dat kennelijk dat je de mist in gaat. Hier neemt Klaassen de arglistigheid van ons hart niet serieus genoeg: er gaat veel meer mis dan wij ons bewust zijn! Hier heeft Wisse een punt: ook met de beste bedoelingen ben je niet gevrijwaard voor misverstanden, al was het alleen al omdat onze beste bedoelingen zo best niet zijn.

Nadat Klaassen dit heeft vastgesteld, gaat hij verder over de status van de Schrift en het Schriftgezag. Maar waarom wordt hier de Heilige Geest nu niet ter sprake gebracht? En dan niet als pro-memoriepost, maar voluit, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis doet.

Zoals het er nu staat, lijkt Klaassen toch in funderingsdenken te verzanden: het denken heeft een laatste, vaste grond nodig, die onwrikbaar moet staan – en die grond is de Schrift. Wat is daar mis mee? Je komt al snel – en ook Klaassen ontkomt daar niet aan – in een heel formele Schriftbeschouwing, waarbij de functie van de Schrift enkel epistemologisch wordt: de Schrift levert ons kennis, betrouwbare kennis. Dat is een manier van denken die allerlei nadelen heeft: van dit funderingsdenken krijg je gebouwen waarin alles met alles samenhangt en waar de minste afwijking resulteert in het omvallen van het gebouw. Als je niet gelooft dat elk getal in de Bijbel natuurwetenschappelijk correct is, ga je ook de opstanding nog ontkennen – dat soort redeneringen.

Belangrijker nog: dit soort denken is anders dan onze gereformeerde belijdenis ons aanreikt. Die spreekt van het Woord, maar ook van de Geest. De Geest die door de profeten en apostelen gesproken heeft, is ook de Geest die onze harten getuigt dat deze Schriften van God zijn. Daar gaat het niet om betrouwbare kennis over willekeurig welk onderwerp, maar gaat het om de zekerheid van het heil. Daarom ging het ook in de Reformatie, bijvoorbeeld in de strijd tussen Luther en Erasmus: “De Heilige Geest is geen scepticus”, zegt Luther: Hij neemt je niet bij de neus, maar leidt je in al de waarheid.

Heeft Klaassen er eigenlijk vertrouwen in dat als we samen de Schriften gaan lezen, dat de Geest ons in de waarheid leidt? Of moet dat tevoren op allerlei manieren gezekerd worden? Een abstracte zekerheid, los van de concrete omgang met de Schriften, wordt ons echter niet gegeven. We zouden er ook gemakkelijk het tweede gebod mee gaan overtreden, of zelfs het eerste. Juist in de omgang met de Schriften, al lezend en gezamenlijk zoekend, vinden we waarop het aankomt. Sola scriptura betekent dan vooral dat we ons voortdurend onder kritiek stellen van de Schriften, in het besef van het gevaar van ons misverstaan. We hebben kortom de Heilige Geest nodig. Sola scriptura is geen slot op de deur, maar een manier van leven, waarbij we de zekerheid niet op zak hebben, maar verwachten.

Wat ik hier beweer, komt eigenlijk neer op de positie van klassieke, gereformeerde theologie: de Schrift moet niet alleen aan de ingang van de dogmatiek worden behandeld, maar óók bij de middelen van Gods genade. En het eerste kan niet los gedacht worden van het tweede, hoewel dat in de Gereformeerde Orthodoxie wel voortdurend dreigde (daarom zie ik meer breuklijnen in de traditie dan Klaassen, denk ik).

Een ander punt dat hier tegenaan ligt: geloof in God en geloof in het boek. Klaassen zegt dat het een niet zonder het ander gaat. Nu is er geen geloof in de levende God zonder de aanvaarding van de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, maar dat wordt nooit geloof in het boek. We geloven wat de Bijbel zegt, maar we geloven niet in de Bijbel zoals we in God geloven, toch? Klaassen verwijst naar de Oude Kerk, maar in de oudkerkelijke confessies vinden we de belijdenis van de Schrift slechts op die manier dat we geloven in de Heilige Geest, “die gesproken heeft door de profeten” (Nicea).

Uiteindelijk dreigt Klaassens positie dichter te liggen bij Angelsaksisch fundamentalisme dan bij de reformatorische leer van de Schrift. Hij denkt daarbij niet te hoog van de Schrift, maar eigenlijk nog een beetje te laag: het is geen kentheoretisch fundament zonder meer, maar God doorademt deze Schriften waardoor ze levend zijn en krachtig. De autopistie van de Schrift laat zich niet in een kentheoretische formule verpakken. Sola scriptura is de erkenning dat deze Schriften echt van God zijn en ze niet zomaar van ons worden. Het gevaar van machtsmisbruik is volop aanwezig.

Relativisme?

Maar nu de andere kant. Heeft Klaassen niet net zo goed een punt als hij Wisse vraagt of het loslaten van het principe van sola scriptura niet tot allerlei onheil leiden moet? In mijn woorden: leidt Wisses positie niet tot relativisme of zelfs tot een ontkenning van openbaring, als de lezer met zijn of haar belangen zo’n grote plek inneemt? Wisse bespreekt in zijn grotere artikel verschillende pogingen om sola scriptura een plaats te geven en hij wijst ze allemaal af. Scherp schetst hij de benarde positie van gereformeerde dogmatiek die met het Schriftprincipe eigenlijk werkt aan haar eigen afschaffing, omdat je toch alleen maar terug moet naar de uiteindelijke bron, de Bijbel. Niet minder scherp wijst hij er op dat er geen ontkomen aan is dat theologische belangen maken dat bepaalde teksten naar voren worden gehaald en andere als het ware in de schaduw te rusten worden gelegd, worden geneutraliseerd.

Wat is Wisses alternatief? Kort gezegd: don’t think, look! Luister niet naar alle mooie of minder mooie verhalen die je over de Schriftleer worden verteld, maar kijk nu eens naar het feitelijke Schriftgebruik, analyseer het en zie welke theologische principes werkzaam zijn. En dan blijkt dat gereformeerden het eigenlijk best goed doen door het Schriftberoep te laten reguleren door een verkeer tussen wet en evangelie. In de huidige tijd kan de gereformeerde “politieagent” niet langer gezag claimen, maar hij kan wel de gereformeerde route aanwijzen. Wisse vindt dat juist goed, omdat volgens hem de Reformatie niet zo succesvol was door een zorgvuldige omgang met de Schrift, maar juist omdat ze een gemakkelijk te te praktiseren spiritualiteit opleverde. Geen sola scriptura dus, maar sola theologia.

Hoe diep deze gedachtegang voor Wisse gaat, blijkt voor wie zijn boek Zo zou je kunnen geloven leest: ook daar vinden we voortdurend de angst voor machtsgrepen en -structuren in de kerk, en gaat het er aan toe op de manier van de uitnodiging rondom verschillende manieren van kerk-zijn. Wisses boek laat praktisch-spiritueel zien wat hij theologisch denkt, en andersom.

Toch is het de vraag of het allemaal niet te vrijblijvend en uiteindelijk relativistisch wordt. Waarom is ‘gezag’ eigenlijk zo erg en macht zo gevaarlijk? Er is toch geen ontkomen aan gezag en macht? Die gaat al snel een kant op die niet bij het Evangelie past, akkoord – maar is dat per definitie zo? Anders gezegd: is er een alternatief voor anarchie?

Wat ik rond Wisses Schriftvisie mis, is de overtuiging dat de Levende op een bijzondere manier door de Schriften spreekt. Dat is een gezag met een heel eigen aard; een gezag dat – zo geef ik Wisse direct toe – zich niet zomaar in menselijke machtsstructuren laat overzetten. Maar toch: in de Schriften horen we de stem van God die spreekt (Calvijn). Hoe zou die stem geen gezag hebben?

Dat maakt goede hermeneutiek en exegese niet overbodig, wat mij betreft, maar het is juist de reden waarom hermeneutiek en exegese zo belangrijk zijn: omdat die Schriften van levensbelang zijn. Daarmee zijn we van een strikt kentheoretisch vertoog in de sfeer van de soteriologie gekomen.

Laat het zo zijn dat allerlei belangen van lezers hun interpretatie van de Schriften kleuren, maar die Schriften zijn niet enkel een weerloze tekst op zichzelf. De Geest heeft gesproken door de profeten, en dat vinden we in de Schriften terug. De Schrift is maar niet een wassen neus die zich door willekeurige lezers allerlei kanten op laat buigen.

Maar ja, zal Wisse mogelijk zeggen: mooi gezegd, maar je doet precies wat ik zeg: je geeft een theologisch verhaal hoe het moet, zonder het beroep op maar één enkele tekst. Hoezo sola scriptura?

Toch is me dat te relativistisch. De Schriften getuigen van het Koninkrijk van God dat komt, van de opstanding van Jezus Christus. Als dat getuigenis waar is, heeft het ook gezag. Dat relativeert alle machtsstructuren in deze wereld, want Jezus Christus regeert. Dát geloof betekent ook dat ik het getuigenis van de Schriften wil aanvaarden. Vooruit, sola scriptura als slogan is daarbij wat kort door de bocht; je moet het goed uitleggen. Maar dat is met sola fide ook het geval, en zelfs in enige mate met sola gratia.

Openingen

Welke openingen liggen er voor het sola scriptura? Drie gedachten:

  1. Sola Scriptura is geen eindpunt van discussie, maar het begin. Geen theologische methode die altijd werkt, maar een principe. We zijn met elkaar in gesprek juist omdat de Schrift gezag heeft. Maar op ons eentje gaan we snel het bos in, en bij een ander zie je dat sneller dan bij jezelf. Zoals de Reformatoren het Schriftberoep niet gebruikten om zich zo ver mogelijk van de kerkvaders te verwijderen, maar juist om dicht bij hun theologie te komen of te blijven, zo staat nog altijd het beroep op de Schrift niet puur en alleen op zichzelf;
  2. Sola Scriptura betekent dat niemand op eigen gezag het laatste woord kan spreken – dat is het waarheidsmoment in de positie van Wisse. Telkens opnieuw zullen er mensen opstaan die ergens anders over denken. Dan kan er geen ready made antwoord worden afgeleverd, maar is alleen in de weg van gehoorzaam luisteren een weg te vinden. Maar dan zijn we ook niet enkel aan elkaar overgeleverd; dan gebeurt er ook wat, juist omdat de Schriften van God zijn.
  3. Aan het hanteren van de Schrift als kentheoretische fundering zitten allerlei nadelen, die anderen welsprekender naar voren hebben gebracht dan ik kan doen. Het belangrijkste bezwaar lijkt mij dat het Schriftprincipe te snel formeel wordt. De Schriften getuigen van Christus. “Neem Christus uit de Schriften weg, en wat zul je er nog meer in vinden?” (Luther). De Bijbel als Woord van God laat zich niet lospellen van Hem die het Woord is.

PS: collega Koert van Bekkum vroeg me om te verwijzen naar deze publicatie waarin bijbelwetenschappers zich met soortgelijke vragen bezig houden. Ik heb het boekje nog niet gezien, maar het ziet er interessant uit!

Advertenties

6 gedachtes over “Sola Scriptura? Hervatting van een gesprek

  1. dag dominee. kunt u nu in een paar zinnen uitleggen waar het om gaat? ik verdwaal een beetje in de discussie tussen theologen :-).

    ik denk dat het gaat om de leiding van God door zowel de Bijbel (die God zelf door Zijn Geest heeft geschreven via bijbelboekschrijvers) en de Heilige Geest Die ons in alle waarheid wil leiden en openbaren.

    hoor graag die paar zinnen van u en wat het probleem dan is. verbonden in Jezus Christus in Wie wij geloofd hebben en nog geloven.

  2. Ha Arnold,

    Dit is een broodnodige verheldering. Dank!

    Je stuk is tegelijk ook een illustratie dat ‘sola scriptura’ een formule dreigt geworden, die steeds verder loskomt van de oorspronkelijke context. In de oude begripsvorming is ‘sola’ een term die op zichzelf geen betekenis heeft, alleen samen met andere concepten (een syn-categoreumaton). De vraag moet dus altijd zijn: sola – in relatie tot wat? Als het om het gezag van de Schrift gaat, dan zegt de Reformatie dat de Schrift niet vanuit de traditie gezag heeft, maar vanuit zichzelf. Als levend Woord. Terecht brengt Maarten Klaassen ook de traditie in, omdat dit de achtergrond is waartegen het Sola is geformuleerd.

    Edoch… Moeten we nu niet zeggen dat de opkomst van de hermeneutiek een hele andere context heeft geschapen? Je kunt de vraag naar ‘interpretatie van de Schrift’ of het punt van Schriftgebruik (zoals Maarten Wisse terecht inbrengt) niet een beroep doen op ‘sola Scriptura’. Dan haal je het begrip binnen in een andere context en – zoals jij helder laat zien – het brengt je in funderings-vaarwater. Het vraagteken in de titel van je blog, roept dus om meer: hebben we dan toch een andere begripsvorming nodig? Om te voorkomen dat ‘sola scriptura’ een slogan wordt die steeds meer losraakt van de oorspronkelijke context. Dan is de uitdaging: hoe spreken we over de Schrift als Woord Gods terwijl we ervan doordrongen zijn dat elke gebruik van de Bijbel gekleurd is door de eigen positie – met alle belangen die daarbij een rol spelen. Jouw eerste punt (aan het eind) geeft een interessante hint: lezen in gemeenschap – dat levert misschien ook wel een nieuwe blik op ‘traditie’ op, zonder in oude tegenstellingen te vervallen.

    Groet!

  3. Beste Arnold,
    Deels in aansluiting aan Theo, ik mis ook die oorspronkelijke context nog teveel. ‘Alleen’ staat in al die ‘sola’s’ tegenover een ‘niet alleen maar ook’, en het is van belang dat alternatieve ‘ook’ scherper te krijgen dan doorgaans gebeurt. Ik heb de indruk dat het sola scriptura uiteindelijk opponeert tegen een: niet alleen de Schrift is de _bron_ van de christelijke traditie, maar de kerk(elijke traditie) is bevoegd daarnaast als zelfstandige bron op te treden. Daarmee wordt die kerkelijke traditie meer dan ze vanouds wilde zijn, nl. uitleg-traditie van de Schrift, en verliest de Schrift haar mogelijkheid die kerkelijke traditie tegen te spreken. Vul je het ‘niet alleen maar ook’ oppervlakkiger in, dan komt de Schrift ook tegenover de uitleg-traditie van de Schrift te staan en krijg je de suggestie dat je alles wel ‘alleen met de Schrift’ kunt beslissen. In de praktijk komt dat neer op totale willekeur en een negeren van het belang en de waarde van het ambt en de geloofsregel (om het verder maar niet over hermeneutiek te hebben).
    Iets dergelijks kun je ook zien bij het ‘sola fide’, dat tegenover een ‘niet alleen door geloof maar ook door goede werken’ staat. Als je dit ‘alleen door geloof’ ook gaat inbrengen tegen de sacramenten komt je niet alleen in strijd met Marc. 16:16, maar excarneert je complete geloofsbegrip.
    Dank verder voor je verhelderende blog, in de hoop er nog veel van je te lezen, met hartelijke groet.

  4. Dank Theo en Wim, voor jullie aanvullingen. In het op.ed. in het RefDag vandaag of morgen zal hopelijk blijken dat ik deze in enige mate verwerkt heb.

    @Cees van Beek: het is nog lastig om het in een paar woorden te zeggen. Ga ik op broeden en probeer ik z.s.m. op terug te komen.

  5. De vraag naar de verstaanbaarheid van de Schrift zoals hier opgeroepen heeft me weer eens naar John Owen’s Sunesis Pneumatike (1678) doen grijpen. Uiterst belangwekkend om deze hele vraagstelling te plaatsen in zijn uitgangspunt: “My principal design is, to manifest that every believer may, in the due use of the means appointed of God for that end, attain unto such a full assurance of understanding in the truth, or all that knowledge of the mind and will of God revealed in the Scripture, which is sufficient to direct him in the life of God, to deliver him from the dangers of ignorance, darkness and error, and to conduct him to blessedness.” Om vervolgens vast te stellen dat we niet van een gezaghebbende uitleg van een kerk of persoon afhangen. Is immers niet een grote belofte van het Evangelie dat alle gelovigen van God geleerd zullen zijn. Misschien kan dat boek nog weer eens vertaald en heruitgegeven worden. En misschien kunnen 21e eeuwse theologen iets meenemen van de pastorale spits van Owen. Tot heil des volks!

  6. Pingback: Nog eens: Sola Scriptura | Arnold Huijgen

Reacties zijn gesloten.