Christus als Leraar (3)

Deze bijdrage pakt de draad weer op van de eerste en tweede post naar aanleiding van mijn lezing over ‘Christus als Leraar’ bij Driestar Educatief. Na de inleidende schets van het probleem is het tijd om te luisteren naar wat anderen over Christus als Leraar hebben gezegd.

Voor wat hier volgt, heb ik dankbaar gebruikt gemaakt van de inaugurele oratie (pdf) van Renée van Riessen. Zie ook haar boek-essay De ziel opnieuw*. Over innerlijkheid, inspiratie & onderwijs* (Uitg. Sjibbolet), dat een voorzetting vormt van de gedachtevorming in haar inaugurele. Niet zonder reden op één in de filosofische boekentopvijf van Trouw.

Kierkegaard

Socrates

In haar oratie schetst Van Riessen hoe Søren Kierkegaard Socrates en Christus beide als leraren opvoert. Socrates was zo’n bijzondere leraar, vanwege de ironie – volgens Kierkegaard ‘onmisbaar afbijtmiddel’. De ironie helpt ons om bij zelfkennis uit te komen: men maakt zich immers los van wat zich als kennis aandient, distantieert zich ervan om zich er toe te kunnen verhouden.

Dit past bij Socrates’ maieutische methode: hij beschouwt zichzelf als een vroedvrouw (Socrates’ moeder was vroedvrouw) die enkel maar assisteert bij de geboorte van ware kennis, maar die niet zelf de geboorte kan bewerkstelligen. De kennis is al in de persoon aanwezig, maar hij is afgestompt, waardoor de waarheid niet te voorschijn komt. Daarbij verleent de filosoof dan nuttige diensten. Daarbij ontdekt Kierkegaard bij Socrates een type waarheid dat existentieel en persoonlijk is:

Socrates’ combinatie van ironie en scepsis wordt nu de basis voor het inzicht dat de waarheid er niet zomaar is, maar dat ze, om werkelijk waarheid te kunnen zijn, een verhouding tot mij als existerende persoon nodig heeft (Van Riessen 2012: 7).

Socrates’ onderwijs leert je, kortom, mens te zijn.

Christus

Kierkegaard schetst hoe Christus als leraar verder gaat dan Socrates. “De leraar van het evangelie blijkt een leraar te zijn in het niet-meer menselijke” (Van Riessen 2012: 8). De vereisten van de Bergrede gaan immers het menselijke ver te boven. Bovendien: als we naar Christus als leraar kijken, zo noteert Kierkegaard, merken we dat kennis niet te maken heeft met het naar voren halen wat in de mens in beginsel al wel aanwezig is (zo Plato en Socrates). Integendeel, de ware leraar Christus is ook schepper: “hij schept in de geesteloze, troosteloze mens iets nieuws, namelijk de ontvangstruimte die nodig is om waarheid te kunnen vernemen” (Van Riessen 2012: 8). Ik hoor hier een verre echo van Luther: Amor Dei creat, non invenit, suum diligibile (Gods liefde treft het voorwerp van liefde niet aan, maar schept het, these uit de Heidelberger Disputatie 1518).

Levinas

Op dit punt aangekomen in de oratie, brengt Van Riessen het denken van de filosoof Emmanuel Levinas. Levinas stelt dat God en filosofie zich niet tot elkaar herleiden, maar dat ze evenmin los van elkaar staan. Levinas beschrijft het woord ‘God’ in de filosofie als een “explosief dat het in zichzelf gekeerde denken naar buiten drijft” (Van Riessen 2012: 10). Toch hoort dit explosief erbij, anders wordt de filosofie irrationeel. Het is rationeel om transcendentie mee te bedenken.

Wat betekent dit voor het onderwijs? Hier refereert Van Riessen aan Levinas’ beroemde gedachten over de ander. De vreemde stem van de vrije ander geeft richting aan de dialoog. De transcenderende relatie met de ander (die zich radicaal buiten mijzelf, het subject bevindt) verdiept nu juist het verstaan en verdiept ook de existentie van de mens. Daarmee krijgt het leraarschap bij Levinas, volgens Van Riessen, “messiaanse trekken” (p. 11).

Voor mij is het denken van Levinas op dit punt zowel inspirerend als niet geheel bevredigend. Zijn accent op transcendentie die nodig is om de innerlijkheid te dienen (die dus niet binnen de perken van de auotnomie blijft) spreekt me bijzonder aan. Tegelijkertijd blijft de gedachtegang nog een tikkeltje formeel: deze gedachten kunnen ontwikkeld worden zonder dat duidelijk wordt wat de inhoud van dit onderwijs is of zou moeten zijn. Mijn belangrijkste aarzeling heeft er mee te maken dat het leraarschap zelf messiaanse trekken krijgt. Daar lijkt Christus als Persoon, als concrete Ander, inwisselbaar met willekeurig welke ander. En waar Christus als de Ander voor mij functioneert, is nog niet duidelijk waarin Hij anders zou zijn dan elke ander.

In een volgend blog wend ik me naar Bonhoeffer om voor deze problematiek een oplossing te zoeken.

Advertenties

Een gedachte over “Christus als Leraar (3)

  1. Pingback: Christus als Leraar (4) | Arnold Huijgen

Reacties zijn gesloten.