Richting kiezen (lezing over art. 23 Grondwet)

Gisteren hield ik op de Guido de Bres in Rotterdam onderstaande lezing.

Richting kiezen. De identiteit van reformatorisch onderwijs vandaag en morgen

Lezing bij afscheid Richard Toes, Guido de Bres, Rotterdam

1. Inleiding

Dames en heren, dank voor de uitnodiging om hier voor u te spreken over de vrijheid van onderwijs in relatie tot de identiteit van reformatorisch onderwijs. Een aangelegen thema, waarvan ik aanneem dat het de meesten van u na aan het hart ligt en waarvan ik weet dat het Richard Toes na aan het hart ligt. Rondom artikel 23 van de grondwet is een er een hoop in beweging terwijl er vooralsnog ook veel hetzelfde blijft. En ook dat past bij Richard Toes, die afscheid neemt en tegelijkertijd op een bepaalde manier gewoon blijft…

In mijn verhaal vanochtend wil ik het – uiteraard, zou ik haast zeggen – opnemen voor de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst en wil ik ook wat overwegingen bieden bij de gedachte om artikel 23 ruimer te interpreteren dan totnogtoe gebeurde — maar al zou zo’n verhaal er hier vast wel in gaan, er zijn anderen die beter zo’n verhaal kunnen houden en het wordt snel een oratio pro domo; wie zal het er in dit huis mee oneens zijn? Daarom wil ik vooral een spade dieper afsteken en vragen naar de identiteit van reformatorische scholen in de komende decennia: als de interpretatie van artikel 23 verandert, als er mogelijk een keer een acceptatieplicht komt, hoe zal dan de reformatorische identiteit er uitzien, en wat kunnen we daar vandaag van leren?

Een concreet voorbeeld voor degenen die nu al in slaap dreigen te vallen. Probeert u zich voor te stellen dat een seculiere, mondige Rotterdamse leerling – we noemen hem Ricardo – is toegelaten tot deze school en deel uit gaat maken van een klas met verder allemaal leerlingen met een reformatorische achtergrond. Wie zou er wie het meeste beïnvloeden? Beïnvloeden de reformatorische leerlingen Ricardo zo dat hij waarschijnlijk betrokken zal raken op het christelijk geloof, of is het waarschijnlijker dat Ricardo de anderen zal beïnvloeden? Bedenk het eens voor een vmbo-klas en voor een vwo-klas, voor een tweedeklasser en een vijfdeklasser. Ik denk dat de kans groot is dat de seculiere leerling de anderen zal beïnvloeden. En voordat u nu roept dat er daarom geen acceptatieplicht moet komen (daar ben ik het mee eens!), zeg ik maar dat we kennelijk ook afgezien van een acceptatieplicht dus al een probleem hebben, dat alleen maar meer zichtbaar en voelbaar zal worden als er een acceptatieplicht zou komen. Kennelijk is de identiteit van die reformatorische leerlingen behoorlijk zwak.

Natuurlijk kun je tegenwerpen dat dit er mee te maken heeft dat die leerlingen van nature tot het kwade geneigd zijn. Ook daar ben ik het op zich mee eens, maar dan nog: in de Vroege Kerk was het zo dat het christelijk geloof zich als een olievlek verspreidde. Waar een christen kwam, beïnvloedde hij de rest en soms was de rest ook in no time christen. De christelijke identiteit werkte aanstekelijk. Dat is kennelijk niet meer zo. De christelijke of reformatorische identiteit moet beschermd worden tegen invloeden van buitenaf, anders blijft er niet veel van over. Mijn stelling is dat die identiteit dan kennelijk al niet zo sterk was.

En als iemand dan nog tegenwerpt dat we in een heel andere tijd leven en dat je van jongeren niet zo veel kunt verwachten, wijs ik graag op een voorbeeld van een jongere die op 13-jarige leeftijd belijdenis deed in een Amsterdamse gemeente. Ze wilde dat heel graag en overtuigde de kerkenraad, want – zei ze – op mijn seculiere school ben ik allang een belijdend christen en dus wil ik ook in de kerk belijdenis doen en deelnemen aan het avondmaal.

Wie weet is de dreigende acceptatieplicht wel een blessing in disguise, die ons op de fundamenten van het christelijk geloof terugwerpt en blootlegt wat het diepste probleem van reformatorisch onderwijs is!

2. Enkele principiële noten over art. 23

Goed, dat ging wel heel erg snel. Laat me kort een paar principiële piketpaaltjes slaan rondom de vrijheid van onderwijs. Ons land is ontstaan in een vrijheidsstrijd, die vooral draaide om de vrijheid van godsdienst. Die vrijheidsdrang zit in ons Nederlandse DNA. Vanwege de godsdienstvrijheid is Nederland een tolerant land geworden; tolerantie vind je overigens alleen in gebieden die onder invloed van het christelijk geloof zijn gekomen, en dan met name onder de calvinistisch variant daarvan. Historisch en zakelijk hangen calvinisme en tolerantie samen, maar dat is niet mijn thema vanochtend.

De onderwijsvrijheid kun je zien als een afgeleid effect van de vrijheid van godsdienst: omdat onderwijs niet waardenvrij is, kunnen ouders zich verenigen om een school van een eigen richting te stichten. Het is een geweldige verworvenheid dat de school niet van de overheid is, maar van de ouders. Wat dat betreft kan het geen kwaad om de positie van ouders dan ook het volle pond te geven, maar ook dat is een andere discussie.

Tegenwoordig zien we dat de vrijheid van onderwijs hoe langer hoe meer onbegrepen is c.q. onder druk komt te staan. Het proces van verwatering van identiteiten is al langer aan de gang: veel scholen die van oorsprong protestants-christelijk zijn, doen er niet zo veel meer aan, ouders kiezen vooral op basis van kwaliteit. Maar daarnaast is er de olifant in de kamer: de islam. Zijn religieus gemotiveerde scholen geen dam tegen integratie en motor voor segregatie in de samenleving? Daarbij kun je ook nog denken aan de tweedeling in witte en zwarte scholen: wordt het toelatingsbeleid dat scholen mogen voeren, niet gebruikt om een selectie van leerlingen toe te passen die we als samenleving niet moeten willen? Vandaar dat al in 2005 Marriëtte Hamer van de PvdA voorstelde om een ‘acceptatieplicht’ in te voeren: elke leerling die zich aan de poort meldt, moet dan worden toegelaten, mits hij of zij de grondslag van de school respecteert. In 2014 stofte dezelfde partij dit plan nog eens af en het is te verwachten dat de PvdA dit punt opnieuw zal inbrengen na de komende verkiezingen, als deze partij de kiesdeler haalt althans.

Het is duidelijk dat de acceptatieplicht de vrijheid van onderwijs zoals we die tot nu toe kennen, ondermijnt. De discussie zal daarna gaan over wat het ‘respecteren’ van de grondslag van de school inhoudt. Hoe kan een school vasthouden aan een eigen visie wanneer tegelijkertijd leerlingen moeten worden toegelaten waarvan de ouders die visie niet delen?

Dat er zo veel druk op het onderwijs komt te staan, is het gevolg van een grote maatschappelijke paradox. Enerzijds zijn we steeds individualistischer geworden, hebben we steeds minder gedeelde waarden en komen verschillende soorten mensen, zoals hoger en lager opgeleiden, elkaar in de samenleving niet meer tegen. Anders gezegd: voordat D66 werd opgericht, hingen er nog touwtjes uit brievenbussen… Anderzijds is er een steeds grotere druk richting gelijkheid: non-discrimatie wordt door steeds meer mensen als een soort geloofsbelijdenis herhaald. Er is een toenemende druk om over bepaalde thema’s te denken wat in Hilversum gedacht wordt, om bepaalde standpunten in te nemen en op een heel bepaalde manier ruimdenkend te zijn. En dat roept dan weer verzet op in verschillende, onder andere populistische, gestalten.

Die spanning tussen pluriformiteit en individualiteit enerzijds en gelijkheidsdenken anderzijds komt vanwege de noodzaak om met elkaar samen te leven allemaal samen in de school. Als verschillende bevolkingsgroepen elkaar op school niet meer tegenkomen, komen ze elkaar nergens meer tegen.

Dit is natuurlijk allemaal gesneden koek voor u allemaal, en ik ben lang geen expert op dit gebied, maar ik vond dat ik deze achtergrond even moest schetsen voor we verder gaan. De overheid verkeert in een begrijpelijk dilemma met betrekking tot de onderwijsvrijheid. Een gevaarlijke ontwikkeling in dit verband lijkt me de oprukkende rol van eisen waaraan het onderwijs moet voldoen. Niemand betwist dat het onderwijs van een goede kwaliteit moet zijn, maar naarmate deze kwaliteit meer inhoudelijk gevuld wordt met idealen aangaande burgerschap, seksuele identiteit en dergelijke, wordt toch de vrijheid van onderwijs aangetast. Ik denk dat er goede inhoudelijke redenen zijn om burgerschap en seksuele diversiteit op school aan de orde te stellen, maar het oprukken van overheid en overheidsinstanties lijkt me problematisch.

3. Richting een oplossing

Laten we weer teruggaan naar het voorbeeld van Ricardo. Stel: er komt een acceptatieplicht. Hoe kun je je daar nu al op instellen, zodat als deze acceptatieplicht er onverhoopt komt, je een goede uitgangspositie hebt om je identiteit in een nieuwe situatie vorm te geven?

Het grootste gevaar heb ik eigenlijk al genoemd: uitholling van binnenuit door een zwakke identiteit die vooral door subculturele kenmerken van de ouders wordt gedragen. Die zwakke identiteit is te handhaven zolang de buitenwacht buiten gehouden kan worden. Maar wat nu als die buitenwacht niet buiten blijft, maar binnen komt?

Als ik een oplossing moet bedenken, neem ik een begrip dat staatssecretaris Dekker gebruikt om de discussie open te breken – hij nam het er vorige week nog voor op in een lezing voor de rooms-katholieke koepel OMO: Ons Middelbaar Onderwijs, die in het Reformatorisch Dagblad werd afgedrukt. Ik bedoel het begrip ‘richting’. In de politiek wordt dit begrip momenteel gebruikt om te betogen dat ‘richting’ breder moet kunnen worden ingevuld dan alleen een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting: het kan ook om een pedagogische richting gaan. Zo wordt de vrijheid van onderwijs feitelijk losgeweekt van de vrijheid van godsdienst, waar ze oorspronkelijk uit is geboren. Dat is uiteraard een tussenstap, die reden geeft om te vrezen dat het uiteindelijk aan de hand van toenemende eisen het religieus gemotiveerde scholen steeds moeilijker gemaakt zal worden. In die zin is het dus echt een besmet begrip, dat begrip ‘richting’.

Toch kan dit begrip – excusez le mot – richtinggevend zijn in het nadenken over de identiteit van reformatorisch onderwijs. Daarbij plaatst ik richting, als dynamisch begrip, tegenover de meer statische begrippen ‘grondslag’ en ‘fundament’.

In de voorbereiding op deze lezing werd mij gevraagd iets te zeggen over het effect dat acceptatieplicht mogelijk zal hebben op de grondslag van de school. Sta me toe dat ik die vraag even afpel. De metafoor die geïmpliceerd is in het spreken over de grondslag van de school, is die van een gebouw, dat uiteraard een goed fundament nodig heeft. Neem het fundament weg en het gebouw zal verzakken, scheuren gaan vertonen en uiteindelijk onbruikbaar worden. Zonder deugdelijk fundament geen reformatorische school!

Volgens mij klopt deze metafoor echter niet. Vergun me een klein wetenschapsfilosofisch uitstapje. In de filosofie is het zogenaamde ‘funderingsdenken’ (foundationalism) door velen allang verlaten als een te modern concept dat geen recht doet aan de complexiteit van het menselijke kennen. In de moderniteit dacht men dat elk stuk kennis herleid moest kunnen worden tot enkele funderende waarheden, die boven discussie verheven waren, axioma’s dus. Elk stukje kennis moet uiteindelijk op een vast fundament staan en tot dit fundament te herleiden zijn. Maar zo werkt menselijke kennis helemaal niet: dat is meer een web van samenhangende overtuigingen, en niet elke overtuiging laat zich helemaal herleiden tot een vast fundament. Het is maar helemaal de vraag of er vaststaande fundamenten van onze kennis zijn: wat zouden die dan moeten zijn? Dat is de vraag van postmoderne vormen van wetenschapsfilosofie aan het moderne funderingsdenken.

Tot zover het wetenschapsfilosofische uitstapje. Ik denk dat velen christelijke organisaties nog altijd beschouwen als een gebouw op een fundament. Dan is elke waarheid die is afgeleid van het fundament, ongeveer even belangrijk, want als die waarheid vervalt, wat valt er dan nog meer? Het veelvuldig gebruik van het hellend-vlakargument past hier bij. Waar blijven we als we mensen binnen krijgen die niet op hetzelfde fundament staan? Dan gaat het gebouw overhellen en uiteindelijk zal het vallen. Een reactie zou kunnen zijn ons op een nog steviger en helderder fundament terug te trekken. Maar dan wordt denken in fundamenten al snel fundamentalistisch. Ik zie die beweging plaatsvinden in de reformatorische wereld, in de theologie met een steeds sterkere focus op de Schriftleer; in de kerken, met een steeds sterkere focus op de eigen identiteit; en als we niet oppassen ook op de scholen, ook onder invloed van een waarschijnlijk terechte angst dat als je eenmaal iets toelaat, je juridisch zwak staat als je het een andere keer niet wilt toelaten. Hoe dan ook dreigt de angst te gaan regeren.

Ik wil u uitnodigen langs andere lijnen te denken vanochtend, om richting te kiezen. Een richting heeft te maken met een koers die je kiest, een weg die je gaat. Soms ben je op een punt waar je nog een eind van het doel af bent, maar waar je wel weet (in ieder geval ongeveer) welke richting je moet kiezen. En daar ga je samen naar op weg.

Zo gedacht betekent ‘identiteit’ plots wat anders: de identiteit ligt niet allereerst in een depositum of set waarheden die je zo goed mogelijk hebt te beheren – dat is er ook wel, maar het is niet het belangrijkste meer. Het belangrijkste is een gedeeld doel: dáár moet het naar toe! En ga je mee, dan hoor je er bij, ga niet mee, dan hoor je er niet bij. Hier is de identiteit dus vooral een richtpunt, een punt waar je naar toe trekt, of naar toe getrokken wordt, omdat deze identiteit zo aantrekkelijk is. Let wel: de energie gaat in dit beeld in andere dingen zitten. Niet in het stutten van het gebouw of het versterken van het identitaire fundament, of het afgrenzen tegen gevaren, maar het positief motiveren van elkaar, het blijven wijzen in de richting van de identiteit waar het om gaat. De drijvende kracht is niet angst, maar verlangen. En dan moeten we het er samen dus over hebben, welk verlangen ons drijft en welke richting het op moet.

En we kunnen natuurlijk wel denken dat we het daar op voorhand over eens zijn, want we hebben toch de Bijbel en de Drie Formulieren van eenheid, maar zo werkt het niet langer. Als dat alleen een kwestie van de grondslag is, wordt het dood kapitaal, zeker als er steeds meer anderen de school binnen komen die dit fundament niet delen. De identiteit wordt dag in dag uit gemaakt door u en jou, door de richting die je aanwijst. En daar sta je samen voor, dus moet je er over in gesprek. Dat lijkt me ook heilzaam, want soms zijn reformatorische scholen juist de plek waar het minst over geloofszaken gesproken wordt, want wie weet worden we het wel niet eens…

Laat me nog een ander beeld gebruiken voor wie de richting van dit verhaal een beetje kwijt is. Als je schapen houdt, kun je ze hoofdzakelijk op twee manieren bij elkaar houden (heb ik me laten zeggen, mijn praktische ervaring met schapen is vrij beperkt). Je kunt een hek maken en ze allemaal binnen houden: wel zo overzichtelijk, maar als een deel van het hek stuk gaat, raak je je schapen ook maar zo kwijt. Of je zorgt dat je je bij een waterbron bevindt. Dan kun je de schapen gerust laten lopen: soms blijven ze dichtbij, een ander gaat wat verder weg, maar uiteindelijk komen ze allemaal weer terug om uit de bron te drinken.

Toegepast op het onderwijs: als je je identiteit wilt bewaken door afgrenzingen, blijf je bezig en krijg je het heel erg moeilijk als er mensen zijn die die afgrenzingen ter discussie willen gaan stellen of zich er niet aan willen houden. Maar als je je school nu definieert als een gemeenschap rond de bron, zullen er misschien schapen zijn die niet zo veel van die bron moeten hebben, maar de gemeenschap blijft gecentreerd rond die bron.

Natuurlijk komt het er dan wel op aan dat je als collega’s gezamenlijk de goede richting bepaalt. Dat is cruciaal. Veel belangrijker dan een eventuele acceptatieplicht lijkt mij dan ook dat christelijke scholen hun eigen benoemingsbeleid mogen voeren. Want het is de leraar die de identiteit van de christelijke school draagt. Wanneer dat niet meer mogelijk is, is het einde van christelijk onderwijs daar.

4. De reformatorische leraar 2.0

Hoe ziet dan de nieuwe reformatorische leraar er uit, die voor een klas staat waarin een minderheid (want dat zal het waarschijnlijk wel zijn) van seculiere leerlingen een plek heeft? Hoe sta je dan voor de klas? Je zult in ieder geval anders voor de klas staan.

1. Je bent alle vanzelfsprekendheid voorbij. Je kunt niet meer een soort ‘wij’ veronderstellen tegenover de al dan niet boze buitenwereld. En dat lijkt me op zichzelf heilzaam, omdat dat ‘wij’ nu ook al vaak niet bestaat. Wat gaat er in de hoofden van leerlingen allemaal om? Je bent ook de vanzelfsprekendheid voorbij in die zin, dat je niet meer van alles kunt beweren over de seculiere buitenwereld, want die seculiere leerling die praat wel terug. Dat biedt dus een geweldige kans om ter plekke de kracht van het christelijk geloof te laten zien. Maar geloven we daar zelf nog wel in? Daar komt het dan op aan.

2. Je moet de vraag onder ogen zien, wat de seculiere leerling verschilt van de reformatorische leerling. Want ja, het zijn toch allebei zondaren en allebei hebben ze genade en bekering nodig? Volgens mij kun je de vraag naar het verschil tussen beide leerlingen alleen beantwoorden als je nadenkt over de betekenis van verbond en doop. Dat is een uitdagende kwestie, maar wel nodig. Ook nu al, trouwens, maar dat zien we iets minder scherp omdat het toelatingsbeleid nog staat zoals het staat. Ook nu al is het de vraag, wat de leerling op deze school verschilt van seculiere leerlingen op een andere school?  Ik zou zeggen: de verbinding die God met deze leerling is aangegaan – want ‘verbond’ heeft met ‘verbinding’ te maken. En die verbinding staat in het teken van Gods belofte dat Hij de God is van deze leerling. Vandaar dat we het ook van de levende God mogen verwachten. Zeker is die leerling zondaar, maar dat is niet het enige dat van die leerling gezegd kan worden – gelukkig maar!

3. Je komt in open confrontatie met het seculiere denken. Als de seculiere leerling de klas binnen komt, heb je je discussie met het seculiere denken gewoon ter plekke. En dat lijkt me winst. Ik denk namelijk dat zomaar zou kunnen blijken dat wij met elkaar al veel seculierder zijn dan we waar willen hebben. Er zijn natuurlijk vele betekenissen van ‘seculier’. Ik bedoel niet alleen dat we – met de woorden van de Canadese filosoof Charles Taylor – in een seculiere tijd leven omdat geloof in God niet langer de standaardoptie (default option) is, maar ik bedoel ‘seculier’ in de betekenis: leven alsof de wereld leeg was van God. Alsof we ‘gewoon’ ons leven moeten leven, onze lessen moeten geven, de school moeten besturen, net als ieder ander. Alsof dat los staat van wie God is!

Laat me dit op één aangelegen punt toespitsen. Ik merk in toenemende mate een focus op de vragen van schepping en evolutie, en ik merk dat daarbij soms ook leentjebuur gespeeld wordt bij Amerikaanse fundamentalistische denkers. Nu wil ik hier die hele discussie niet overdoen (dat vraagt een aparte lezing), maar ik wil alleen opmerken dat ‘schepping’ in de Bijbel maar hoogst zelden gaat over het begin van de wereld. Het gaat vooral om een belijdenis in het heden: dit is de dag die de Heere gemaakt heeft! Dit is Gods wereld, en ik kom niet in een lege wereld waaraan ik zelf construerend maar wat vorm moet geven – een vorm die dan ook nog eens mijn eigen subjectief gekozen vorm of mijn eigen perspectief is. Maar dit is Gods wereld, waarin God al structuren heeft aangebracht, waarin ik mag leven in een weg die de levende God voor mij uitstippelt. Juist in een goede visie op de schepping ligt volgens mij het antwoord op het seculiere denken. En dan noteer ik ook nog maar even dat schepping niet alleen maar mooie dingen te zien geeft, maar ook verschrikkelijke dingen. We zien niet alleen maar harmonie, maar we zien ook het kruis van Jezus Christus dat middenin de schepping staat.

4. Je moet opnieuw nadenken over wat er reformatorisch is aan je onderwijs. Als het verschil tussen openbare en reformatorische scholen niet meer zo sterk in het toelatingsbeleid zit, waar zit het dan nog wel in? Je zult opnieuw moeten nadenken over het reformatorisch gehalte van je onderwijs en je onderwijsinstelling. Maar is dat eigenlijk niet goed? We mogen graag benadrukken dat zelfonderzoek nodig is, maar meestal bedoelen we dan dat dit voor de ander nodig is en houden we onszelf buiten schot. We zullen opnieuw richting moeten leren kiezen. Dat lijkt me eerlijk gezegd alleen maar gezond.

Speerpunten bij het opnieuw doordenken van reformatorisch onderwijs lijken mij – en ik kan ze alleen maar aanduiden: de verhouding tot het liberale wereldbeeld, tot de neoliberale focus op alles wat je kunt meten (met name geld), tot de ontlezing die onze cultuur bedreigt. Concreet betekent dit dat volgens mij vooral vakken de aandacht moeten krijgen die minder nuttig worden gevonden in de huidige samenleving, zoals kunstzinnige vorming, literatuur en muziek, filosofie en wie weet: theologie. Juist wat de mens vormt maar wat niet direct geld oplevert of anderszins meetbaar maakt, dus. Juist die dingen worden namelijk ingezet in de dienst aan God, zie de uitgebreide aandacht voor architectuur, zangers en muziek in het Oude Testament, dat zelf een diepgaand literair werk is. Zo kiest reformatorisch onderwijs een echt inhoudelijke richting die getuigt van visie.

5. Slot

Als ik de vier punten op een rij zet die volgens mij de reformatorische leraar 2.0 vormen, dan zie ik aandachtspunten die niet pas actueel worden als er een acceptatieplicht wordt ingevoerd, maar die ook nu van cruciaal belang zijn voor reformatorisch onderwijs. Dat een mogelijke acceptatieplicht ons met de neus op die feiten drukt, is wat mij betreft een heerlijke vorm van ironie.

Advertenties