Vereniging voor Theologie

Spannend nieuws: er is een nieuwe Vereniging voor Theologie opgericht. De andere bestuursleden en ik hebben er maanden aan gewerkt, en volgende week dinsdag maken we ons start publiek. Zie het persbericht hieronder. Delen mag!

Uitnodiging launch-event van de Vereniging voor Theologie

Graag nodigen we u uit om aanwezig te zijn bij de lancering van de Vereniging voor Theologie op 12 juni aanstaande, om 16.00 uur, in The Streetfood Club, Janskerkhof 9, Utrecht.

De Vereniging voor Theologie wil een breed opgezet platform zijn, zonder confessionele scheidslijnen, bestemd voor academie en kerk, voor wetenschapper en predikant, pastor en docent levensbeschouwing, in Nederland en Vlaanderen. De vanzelfsprekende aanwezigheid van theologie in de samenleving en aan de academie is voorbij. Maar de theologie is springlevend! De Vereniging voor Theologie wil dat uitdragen en biedt een platform waar verschillende theologische stromingen elkaar kunnen ontmoeten en stimuleren. Op deze manier ontstaat uitwisseling en kunnen ontwikkelingen in kerk, theologie en samenleving gesignaleerd worden. De vereniging stelt zich ten doel op die ontwikkelingen te reageren.

De Vereniging organiseert elk jaar een breed theologisch congres. Het eerste congres vindt in januari 2019 plaats.

Het bestuur van de Vereniging voor Theologie bestaat uit theologen uit academie, kerk en samenleving in Nederland en Vlaanderen.  De bestuursleden zijn:

Prof. Dr. Maarten Wisse

Prof. Dr. Arnold Huijgen

Prof. Dr. Stephan van Erp

Prof. Dr. Edward van ’t Slot

Dr. Roshnee Ossewaarde-Lowtoo

Drs. Elsbeth Gruteke-Vissia

 

Lid worden van de Vereniging voor Theologie? Ga naar de website www.vvth.org 

 

Advertenties

Waarom ik geen theïstisch evolutionist ben

In de discussie over schepping en evolutie wordt nogal eens met oneliners gewerkt, die geen recht doen aan de complexiteit van de discussie. Mijn bijdrage op de studiedag op 22 september (zie het vorige blog) leverde me verschillende heel positieve reacties op, maar ook wel een aantal vragen. Ik voel het als mijn verantwoordelijkheid om duidelijk te maken wat ik bedoel. Daarom een paar dingen als toelichting.

Al snel wordt er gedacht in termen van: ben je creationist of evolutionist? Maar dat is te simpel, hoe graag sommige mensen ook direct vaststellen dat iemand ‘om’ is als hij niet meteen het creationisme onderschrijft. Alsof de enige twee alternatieven zijn: een creationistische overtuiging of een evolutie-overtuiging. Maar wie gelooft dat God de wereld heeft geschapen, is daarmee nog geen creationist. Een creationist is iemand die meent dat Gods Schepper-zijn natuurwetenschappelijk is aan te tonen of op zijn minst plausibel is te maken. Daarmee ga je veel verder dan christelijke geloofsbelijdenissen uit de Vroege Kerk of de Reformatie. Ik ben om theologische redenen niet voor creationisme: Gods werk laat zich niet zomaar met natuurlijke middelen aantonen en – belangrijker nog – de Bijbel is ons niet gegeven als een soort puzzelboek of een handleiding voor biologie of natuurkunde. In de Bijbel gaat de belijdenis van God de Schepper allereerst over de wereld waarin wij ons nu bevinden: dit is de dag die de Heere gemaakt heeft. Kennis van de Schepper is in de belijdenis bloedwarm en persoonlijk. Ik ben dus geen creationist.

Ben ik dan een theïstisch evolutionist? Ook niet. En wel om twee redenen. Ik ben geen evolutionist, omdat die term veronderstelt dat ik bekwaam zou zijn om te bepalen welke natuurwetenschappelijke theorie leidend zou moeten zijn. Maar ik ben helemaal geen natuurwetenschapper, en ik houd me liever bij mijn leest, de theologie. Wél zie ik dat de overgrote meerderheid van natuurwetenschappers de evolutietheorie aanvaardt (of een versie daarvan). Dat geldt ook voor de grote meerderheid van christen-natuurwetenschappers. Als theoloog matig ik me niet aan dat ik beter dan de natuurwetenschapper weet hoe hij zijn vak moet doen. Wel kan ik vragen stellen bij de plausibiliteit van onderdelen van de evolutietheorie. Met Gijsbert van den Brink denk ik dan ook dat de eerste laag van evolutietheorie (deep time) vele malen sterker staat dan de gedachte dat natuurlijke selectie het belangrijkste drijvende principe is (de derde laag). Maar goed: ik zie onder ogen dat er kennelijk een consensus in de natuurwetenschap bestaat rondom evolutie en ik aanvaard dat dit een belangrijke achtergrondtheorie is voor veel wetenschap.

Maar net zoals ik me bij mijn leest houd, verwacht ik dat ook van een natuurwetenschapper. Dat betekent dat ik er tegen wil waken dat evolutionisme als naturalistische ideologie het denken gaat beheersen en reductionistisch gaat werken. Dan wordt er gedaan alsof menselijk leven alleen uit natuurlijke oorzaken te verklaren is, en dat is een misvatting die tekort doet aan de aard van het menselijk leven zelf. Wij zijn niet alleen maar ons brein, of alleen maar onze natuurlijke driften. Zie mijn vorige blog: de waarheid over de mens is niet langs natuurwetenschappelijke weg vast te stellen.

De tweede reden waarom ik geen theïstisch evolutionist ben, kan een beetje vreemd klinken: ik beschouw mezelf ook niet als theïst. Hoezo, geloof ik soms niet in God? Jawel, maar niet in ‘een’ god. Theïsme is de overtuiging dat er een god bestaat, maar het is in principe nog een open vraag welke god het betreft. In die zin is het de keerzijde van het atheïsme (en dat is deel van het probleem). Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is: God heeft zich in Hem geopenbaard. Dat verschilt fundamenteel van de intellectuele overtuiging dat er een god bestaat: het gaat om een belijdenis die meer is dan een statement, en om een overtuiging die berust op openbaring. De vergelijking gaat niet helemaal op, maar als we een bruidegom en bruid innig gelukkig naar elkaar zien kijken, sla je de plank ook mis als je zegt dat deze twee mensen kennelijk heteroseksueel zijn. Je kunt dat statement verdedigen, er zit wat in, maar als je de bruidegom met je conclusie confronteert, zal hij je vertellen dat je er nog niks van hebt begrepen.

Ben ik het met het boek van Gijsbert van den Brink eens? Ja en nee. Ja, omdat ik vind dat aanvaarding van de evolutietheorie als een valide theorie niet uitsluit dat je orthodox christelijk bent. Van den Brink heeft een typisch gereformeerde poging ondernomen om de theologische kosten te bepalen van de evolutietheorie. Je kunt de resultaten van die poging betwisten (en dat heb ik op twee fundamentele punten ook gedaan), maar de toonzetting van sommige reacties op het boek vond ik unfair. Van den Brink heeft wat mij betreft integer en diepzinnig nagedacht over grote vragen.

Toch ook: nee, ik ben het niet met Van den Brink eens (zie ook mijn vorige blog). Het belangrijkste methodische punt is dat ik vind dat we niet het natuurwetenschappelijke beeld van wereld en geschiedenis het speelveld moeten laten bepalen. Ik neem het dus op voor het eigen recht van een theologisch en gelovig perspectief (zoals Van den Brink zelf eerder ook deed in zijn boek Een publieke zaak, uit 2004). Dat betekent dat de zondeval de grens van ons kennen is, zoals ook het eschaton (het einde) de grens van ons kennen is: onze kennis van de geschiedenis, waar wij altijd vanuit ons eigen standpunt naar kijken, reikt niet verder dan dat. Ik ga dus niet proberen de zondeval te dateren of de historische Adam in te tekenen in de evolutionaire geschiedenis. Dat lukt namelijk niet. Daarmee doel ik niet alleen op de grote theologische problemen die Van den Brinks benadering oproept (mijn eerste kritiekpunt in het vorige blog), maar ook op het principiële afstappen van een theologische visie op de geschiedenis. Paulus wijst een betere lijn in Romeinen 5, als hij Adam niet dateert, maar relateert aan Christus.

(Ik zie wel in dat dit de vraag oproept, hoe we dan Genesis 1–11 moeten lezen. Maar dat lukt helaas niet in de lengte van een blog. Wie weet komt er nog eens een boekje).

Inleversyndroom

Onderstaande column stond in De Waarheidsvriend van 28 april.

In de Paaseditie van NRC stond het levensverhaal opgetekend van een vrouw die al jarenlang euthanasie wilde vanwege milde ouderdomsklachten (ze was eind zestig, begin zeventig). Tot haar verontwaardiging kreeg ze die niet, omdat haar klachten niet ernstig genoeg waren. ‘Gelukkig’ kreeg ze op enig moment de diagnose Alzheimer en kon ze dus wel haar begeerde euthanasie krijgen.

Zonder een oordeel te willen vellen over dit leven, bleef ik wel haken bij de manier waarmee de vrouw haar haar lijden vóór Alzheimer omschreef als het ‘voortdurend inleversyndroom.’ Wat is dat anders dan een omschrijving van het leven zelf, in ieder geval van de ouderdom? Oud zijn op zichzelf als kwelling, omdat je het perspectief op het perfecte leven verliest: het is een luxe die niet-Westerlingen zich niet kunnen voorstellen.

In vroeger eeuwen betekende ‘euthanasia’ de kunst van het goede sterven, het loslaten en zich verzoenen met het onvolmaakte en onvoltooide. Intussen drijven we de normen voor het goede leven steeds verder op organiseren we ons eigen ongeluk. Dat heet kennelijk vooruitgang.

Ik las het NRC-verhaal op stille zaterdag. Die ochtend hadden we mijn vader begraven, 62 jaar oud. Al zestien jaar was hij ziek, nadat op zijn 46e een tumor in zijn hoofd openbaar was gekomen. Hij kon al jarenlang niet eten, hij hoorde slecht en op het laatst kon hij ook niet meer spreken. Hij had veel pijn. Natuurlijk ging dat met donkere momenten gepaard, maar wat de Prediker zegt, bleek ook waar: ‘Hij maakt elk ding schoon op zijn tijd.’

In de rouwsamenkomst hadden we stil gestaan bij Psalm 27, waarin de dichter zegt: ‘als ik toch niet had geloofd…’ Dan niks. Vertalingen voegen wel iets toe (HSV: ‘dan was ik vergaan’), maar het staat er niet. Als de Heere er niet was, dan sta je letterlijk voor de afgrond. Paulus zegt het over de opstanding: als Christus niet is opgewekt, heeft alles geen enkele zin meer. Dan leveren we niet alleen persoonlijk, maar ook als Westerse cultuur en als mensheid voortdurend in en zien we de zin er niet meer van in.

Het is Pasen geweest.

Richting kiezen (lezing over art. 23 Grondwet)

Gisteren hield ik op de Guido de Bres in Rotterdam onderstaande lezing.

Richting kiezen. De identiteit van reformatorisch onderwijs vandaag en morgen

Lezing bij afscheid Richard Toes, Guido de Bres, Rotterdam

1. Inleiding

Dames en heren, dank voor de uitnodiging om hier voor u te spreken over de vrijheid van onderwijs in relatie tot de identiteit van reformatorisch onderwijs. Een aangelegen thema, waarvan ik aanneem dat het de meesten van u na aan het hart ligt en waarvan ik weet dat het Richard Toes na aan het hart ligt. Rondom artikel 23 van de grondwet is een er een hoop in beweging terwijl er vooralsnog ook veel hetzelfde blijft. En ook dat past bij Richard Toes, die afscheid neemt en tegelijkertijd op een bepaalde manier gewoon blijft…

In mijn verhaal vanochtend wil ik het – uiteraard, zou ik haast zeggen – opnemen voor de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst en wil ik ook wat overwegingen bieden bij de gedachte om artikel 23 ruimer te interpreteren dan totnogtoe gebeurde — maar al zou zo’n verhaal er hier vast wel in gaan, er zijn anderen die beter zo’n verhaal kunnen houden en het wordt snel een oratio pro domo; wie zal het er in dit huis mee oneens zijn? Daarom wil ik vooral een spade dieper afsteken en vragen naar de identiteit van reformatorische scholen in de komende decennia: als de interpretatie van artikel 23 verandert, als er mogelijk een keer een acceptatieplicht komt, hoe zal dan de reformatorische identiteit er uitzien, en wat kunnen we daar vandaag van leren?

Een concreet voorbeeld voor degenen die nu al in slaap dreigen te vallen. Probeert u zich voor te stellen dat een seculiere, mondige Rotterdamse leerling – we noemen hem Ricardo – is toegelaten tot deze school en deel uit gaat maken van een klas met verder allemaal leerlingen met een reformatorische achtergrond. Wie zou er wie het meeste beïnvloeden? Beïnvloeden de reformatorische leerlingen Ricardo zo dat hij waarschijnlijk betrokken zal raken op het christelijk geloof, of is het waarschijnlijker dat Ricardo de anderen zal beïnvloeden? Bedenk het eens voor een vmbo-klas en voor een vwo-klas, voor een tweedeklasser en een vijfdeklasser. Ik denk dat de kans groot is dat de seculiere leerling de anderen zal beïnvloeden. En voordat u nu roept dat er daarom geen acceptatieplicht moet komen (daar ben ik het mee eens!), zeg ik maar dat we kennelijk ook afgezien van een acceptatieplicht dus al een probleem hebben, dat alleen maar meer zichtbaar en voelbaar zal worden als er een acceptatieplicht zou komen. Kennelijk is de identiteit van die reformatorische leerlingen behoorlijk zwak.

Natuurlijk kun je tegenwerpen dat dit er mee te maken heeft dat die leerlingen van nature tot het kwade geneigd zijn. Ook daar ben ik het op zich mee eens, maar dan nog: in de Vroege Kerk was het zo dat het christelijk geloof zich als een olievlek verspreidde. Waar een christen kwam, beïnvloedde hij de rest en soms was de rest ook in no time christen. De christelijke identiteit werkte aanstekelijk. Dat is kennelijk niet meer zo. De christelijke of reformatorische identiteit moet beschermd worden tegen invloeden van buitenaf, anders blijft er niet veel van over. Mijn stelling is dat die identiteit dan kennelijk al niet zo sterk was.

En als iemand dan nog tegenwerpt dat we in een heel andere tijd leven en dat je van jongeren niet zo veel kunt verwachten, wijs ik graag op een voorbeeld van een jongere die op 13-jarige leeftijd belijdenis deed in een Amsterdamse gemeente. Ze wilde dat heel graag en overtuigde de kerkenraad, want – zei ze – op mijn seculiere school ben ik allang een belijdend christen en dus wil ik ook in de kerk belijdenis doen en deelnemen aan het avondmaal.

Wie weet is de dreigende acceptatieplicht wel een blessing in disguise, die ons op de fundamenten van het christelijk geloof terugwerpt en blootlegt wat het diepste probleem van reformatorisch onderwijs is!

2. Enkele principiële noten over art. 23

Goed, dat ging wel heel erg snel. Laat me kort een paar principiële piketpaaltjes slaan rondom de vrijheid van onderwijs. Ons land is ontstaan in een vrijheidsstrijd, die vooral draaide om de vrijheid van godsdienst. Die vrijheidsdrang zit in ons Nederlandse DNA. Vanwege de godsdienstvrijheid is Nederland een tolerant land geworden; tolerantie vind je overigens alleen in gebieden die onder invloed van het christelijk geloof zijn gekomen, en dan met name onder de calvinistisch variant daarvan. Historisch en zakelijk hangen calvinisme en tolerantie samen, maar dat is niet mijn thema vanochtend.

De onderwijsvrijheid kun je zien als een afgeleid effect van de vrijheid van godsdienst: omdat onderwijs niet waardenvrij is, kunnen ouders zich verenigen om een school van een eigen richting te stichten. Het is een geweldige verworvenheid dat de school niet van de overheid is, maar van de ouders. Wat dat betreft kan het geen kwaad om de positie van ouders dan ook het volle pond te geven, maar ook dat is een andere discussie.

Tegenwoordig zien we dat de vrijheid van onderwijs hoe langer hoe meer onbegrepen is c.q. onder druk komt te staan. Het proces van verwatering van identiteiten is al langer aan de gang: veel scholen die van oorsprong protestants-christelijk zijn, doen er niet zo veel meer aan, ouders kiezen vooral op basis van kwaliteit. Maar daarnaast is er de olifant in de kamer: de islam. Zijn religieus gemotiveerde scholen geen dam tegen integratie en motor voor segregatie in de samenleving? Daarbij kun je ook nog denken aan de tweedeling in witte en zwarte scholen: wordt het toelatingsbeleid dat scholen mogen voeren, niet gebruikt om een selectie van leerlingen toe te passen die we als samenleving niet moeten willen? Vandaar dat al in 2005 Marriëtte Hamer van de PvdA voorstelde om een ‘acceptatieplicht’ in te voeren: elke leerling die zich aan de poort meldt, moet dan worden toegelaten, mits hij of zij de grondslag van de school respecteert. In 2014 stofte dezelfde partij dit plan nog eens af en het is te verwachten dat de PvdA dit punt opnieuw zal inbrengen na de komende verkiezingen, als deze partij de kiesdeler haalt althans.

Het is duidelijk dat de acceptatieplicht de vrijheid van onderwijs zoals we die tot nu toe kennen, ondermijnt. De discussie zal daarna gaan over wat het ‘respecteren’ van de grondslag van de school inhoudt. Hoe kan een school vasthouden aan een eigen visie wanneer tegelijkertijd leerlingen moeten worden toegelaten waarvan de ouders die visie niet delen?

Dat er zo veel druk op het onderwijs komt te staan, is het gevolg van een grote maatschappelijke paradox. Enerzijds zijn we steeds individualistischer geworden, hebben we steeds minder gedeelde waarden en komen verschillende soorten mensen, zoals hoger en lager opgeleiden, elkaar in de samenleving niet meer tegen. Anders gezegd: voordat D66 werd opgericht, hingen er nog touwtjes uit brievenbussen… Anderzijds is er een steeds grotere druk richting gelijkheid: non-discrimatie wordt door steeds meer mensen als een soort geloofsbelijdenis herhaald. Er is een toenemende druk om over bepaalde thema’s te denken wat in Hilversum gedacht wordt, om bepaalde standpunten in te nemen en op een heel bepaalde manier ruimdenkend te zijn. En dat roept dan weer verzet op in verschillende, onder andere populistische, gestalten.

Die spanning tussen pluriformiteit en individualiteit enerzijds en gelijkheidsdenken anderzijds komt vanwege de noodzaak om met elkaar samen te leven allemaal samen in de school. Als verschillende bevolkingsgroepen elkaar op school niet meer tegenkomen, komen ze elkaar nergens meer tegen.

Dit is natuurlijk allemaal gesneden koek voor u allemaal, en ik ben lang geen expert op dit gebied, maar ik vond dat ik deze achtergrond even moest schetsen voor we verder gaan. De overheid verkeert in een begrijpelijk dilemma met betrekking tot de onderwijsvrijheid. Een gevaarlijke ontwikkeling in dit verband lijkt me de oprukkende rol van eisen waaraan het onderwijs moet voldoen. Niemand betwist dat het onderwijs van een goede kwaliteit moet zijn, maar naarmate deze kwaliteit meer inhoudelijk gevuld wordt met idealen aangaande burgerschap, seksuele identiteit en dergelijke, wordt toch de vrijheid van onderwijs aangetast. Ik denk dat er goede inhoudelijke redenen zijn om burgerschap en seksuele diversiteit op school aan de orde te stellen, maar het oprukken van overheid en overheidsinstanties lijkt me problematisch.

3. Richting een oplossing

Laten we weer teruggaan naar het voorbeeld van Ricardo. Stel: er komt een acceptatieplicht. Hoe kun je je daar nu al op instellen, zodat als deze acceptatieplicht er onverhoopt komt, je een goede uitgangspositie hebt om je identiteit in een nieuwe situatie vorm te geven?

Het grootste gevaar heb ik eigenlijk al genoemd: uitholling van binnenuit door een zwakke identiteit die vooral door subculturele kenmerken van de ouders wordt gedragen. Die zwakke identiteit is te handhaven zolang de buitenwacht buiten gehouden kan worden. Maar wat nu als die buitenwacht niet buiten blijft, maar binnen komt?

Als ik een oplossing moet bedenken, neem ik een begrip dat staatssecretaris Dekker gebruikt om de discussie open te breken – hij nam het er vorige week nog voor op in een lezing voor de rooms-katholieke koepel OMO: Ons Middelbaar Onderwijs, die in het Reformatorisch Dagblad werd afgedrukt. Ik bedoel het begrip ‘richting’. In de politiek wordt dit begrip momenteel gebruikt om te betogen dat ‘richting’ breder moet kunnen worden ingevuld dan alleen een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting: het kan ook om een pedagogische richting gaan. Zo wordt de vrijheid van onderwijs feitelijk losgeweekt van de vrijheid van godsdienst, waar ze oorspronkelijk uit is geboren. Dat is uiteraard een tussenstap, die reden geeft om te vrezen dat het uiteindelijk aan de hand van toenemende eisen het religieus gemotiveerde scholen steeds moeilijker gemaakt zal worden. In die zin is het dus echt een besmet begrip, dat begrip ‘richting’.

Toch kan dit begrip – excusez le mot – richtinggevend zijn in het nadenken over de identiteit van reformatorisch onderwijs. Daarbij plaatst ik richting, als dynamisch begrip, tegenover de meer statische begrippen ‘grondslag’ en ‘fundament’.

In de voorbereiding op deze lezing werd mij gevraagd iets te zeggen over het effect dat acceptatieplicht mogelijk zal hebben op de grondslag van de school. Sta me toe dat ik die vraag even afpel. De metafoor die geïmpliceerd is in het spreken over de grondslag van de school, is die van een gebouw, dat uiteraard een goed fundament nodig heeft. Neem het fundament weg en het gebouw zal verzakken, scheuren gaan vertonen en uiteindelijk onbruikbaar worden. Zonder deugdelijk fundament geen reformatorische school!

Volgens mij klopt deze metafoor echter niet. Vergun me een klein wetenschapsfilosofisch uitstapje. In de filosofie is het zogenaamde ‘funderingsdenken’ (foundationalism) door velen allang verlaten als een te modern concept dat geen recht doet aan de complexiteit van het menselijke kennen. In de moderniteit dacht men dat elk stuk kennis herleid moest kunnen worden tot enkele funderende waarheden, die boven discussie verheven waren, axioma’s dus. Elk stukje kennis moet uiteindelijk op een vast fundament staan en tot dit fundament te herleiden zijn. Maar zo werkt menselijke kennis helemaal niet: dat is meer een web van samenhangende overtuigingen, en niet elke overtuiging laat zich helemaal herleiden tot een vast fundament. Het is maar helemaal de vraag of er vaststaande fundamenten van onze kennis zijn: wat zouden die dan moeten zijn? Dat is de vraag van postmoderne vormen van wetenschapsfilosofie aan het moderne funderingsdenken.

Tot zover het wetenschapsfilosofische uitstapje. Ik denk dat velen christelijke organisaties nog altijd beschouwen als een gebouw op een fundament. Dan is elke waarheid die is afgeleid van het fundament, ongeveer even belangrijk, want als die waarheid vervalt, wat valt er dan nog meer? Het veelvuldig gebruik van het hellend-vlakargument past hier bij. Waar blijven we als we mensen binnen krijgen die niet op hetzelfde fundament staan? Dan gaat het gebouw overhellen en uiteindelijk zal het vallen. Een reactie zou kunnen zijn ons op een nog steviger en helderder fundament terug te trekken. Maar dan wordt denken in fundamenten al snel fundamentalistisch. Ik zie die beweging plaatsvinden in de reformatorische wereld, in de theologie met een steeds sterkere focus op de Schriftleer; in de kerken, met een steeds sterkere focus op de eigen identiteit; en als we niet oppassen ook op de scholen, ook onder invloed van een waarschijnlijk terechte angst dat als je eenmaal iets toelaat, je juridisch zwak staat als je het een andere keer niet wilt toelaten. Hoe dan ook dreigt de angst te gaan regeren.

Ik wil u uitnodigen langs andere lijnen te denken vanochtend, om richting te kiezen. Een richting heeft te maken met een koers die je kiest, een weg die je gaat. Soms ben je op een punt waar je nog een eind van het doel af bent, maar waar je wel weet (in ieder geval ongeveer) welke richting je moet kiezen. En daar ga je samen naar op weg.

Zo gedacht betekent ‘identiteit’ plots wat anders: de identiteit ligt niet allereerst in een depositum of set waarheden die je zo goed mogelijk hebt te beheren – dat is er ook wel, maar het is niet het belangrijkste meer. Het belangrijkste is een gedeeld doel: dáár moet het naar toe! En ga je mee, dan hoor je er bij, ga niet mee, dan hoor je er niet bij. Hier is de identiteit dus vooral een richtpunt, een punt waar je naar toe trekt, of naar toe getrokken wordt, omdat deze identiteit zo aantrekkelijk is. Let wel: de energie gaat in dit beeld in andere dingen zitten. Niet in het stutten van het gebouw of het versterken van het identitaire fundament, of het afgrenzen tegen gevaren, maar het positief motiveren van elkaar, het blijven wijzen in de richting van de identiteit waar het om gaat. De drijvende kracht is niet angst, maar verlangen. En dan moeten we het er samen dus over hebben, welk verlangen ons drijft en welke richting het op moet.

En we kunnen natuurlijk wel denken dat we het daar op voorhand over eens zijn, want we hebben toch de Bijbel en de Drie Formulieren van eenheid, maar zo werkt het niet langer. Als dat alleen een kwestie van de grondslag is, wordt het dood kapitaal, zeker als er steeds meer anderen de school binnen komen die dit fundament niet delen. De identiteit wordt dag in dag uit gemaakt door u en jou, door de richting die je aanwijst. En daar sta je samen voor, dus moet je er over in gesprek. Dat lijkt me ook heilzaam, want soms zijn reformatorische scholen juist de plek waar het minst over geloofszaken gesproken wordt, want wie weet worden we het wel niet eens…

Laat me nog een ander beeld gebruiken voor wie de richting van dit verhaal een beetje kwijt is. Als je schapen houdt, kun je ze hoofdzakelijk op twee manieren bij elkaar houden (heb ik me laten zeggen, mijn praktische ervaring met schapen is vrij beperkt). Je kunt een hek maken en ze allemaal binnen houden: wel zo overzichtelijk, maar als een deel van het hek stuk gaat, raak je je schapen ook maar zo kwijt. Of je zorgt dat je je bij een waterbron bevindt. Dan kun je de schapen gerust laten lopen: soms blijven ze dichtbij, een ander gaat wat verder weg, maar uiteindelijk komen ze allemaal weer terug om uit de bron te drinken.

Toegepast op het onderwijs: als je je identiteit wilt bewaken door afgrenzingen, blijf je bezig en krijg je het heel erg moeilijk als er mensen zijn die die afgrenzingen ter discussie willen gaan stellen of zich er niet aan willen houden. Maar als je je school nu definieert als een gemeenschap rond de bron, zullen er misschien schapen zijn die niet zo veel van die bron moeten hebben, maar de gemeenschap blijft gecentreerd rond die bron.

Natuurlijk komt het er dan wel op aan dat je als collega’s gezamenlijk de goede richting bepaalt. Dat is cruciaal. Veel belangrijker dan een eventuele acceptatieplicht lijkt mij dan ook dat christelijke scholen hun eigen benoemingsbeleid mogen voeren. Want het is de leraar die de identiteit van de christelijke school draagt. Wanneer dat niet meer mogelijk is, is het einde van christelijk onderwijs daar.

4. De reformatorische leraar 2.0

Hoe ziet dan de nieuwe reformatorische leraar er uit, die voor een klas staat waarin een minderheid (want dat zal het waarschijnlijk wel zijn) van seculiere leerlingen een plek heeft? Hoe sta je dan voor de klas? Je zult in ieder geval anders voor de klas staan.

1. Je bent alle vanzelfsprekendheid voorbij. Je kunt niet meer een soort ‘wij’ veronderstellen tegenover de al dan niet boze buitenwereld. En dat lijkt me op zichzelf heilzaam, omdat dat ‘wij’ nu ook al vaak niet bestaat. Wat gaat er in de hoofden van leerlingen allemaal om? Je bent ook de vanzelfsprekendheid voorbij in die zin, dat je niet meer van alles kunt beweren over de seculiere buitenwereld, want die seculiere leerling die praat wel terug. Dat biedt dus een geweldige kans om ter plekke de kracht van het christelijk geloof te laten zien. Maar geloven we daar zelf nog wel in? Daar komt het dan op aan.

2. Je moet de vraag onder ogen zien, wat de seculiere leerling verschilt van de reformatorische leerling. Want ja, het zijn toch allebei zondaren en allebei hebben ze genade en bekering nodig? Volgens mij kun je de vraag naar het verschil tussen beide leerlingen alleen beantwoorden als je nadenkt over de betekenis van verbond en doop. Dat is een uitdagende kwestie, maar wel nodig. Ook nu al, trouwens, maar dat zien we iets minder scherp omdat het toelatingsbeleid nog staat zoals het staat. Ook nu al is het de vraag, wat de leerling op deze school verschilt van seculiere leerlingen op een andere school?  Ik zou zeggen: de verbinding die God met deze leerling is aangegaan – want ‘verbond’ heeft met ‘verbinding’ te maken. En die verbinding staat in het teken van Gods belofte dat Hij de God is van deze leerling. Vandaar dat we het ook van de levende God mogen verwachten. Zeker is die leerling zondaar, maar dat is niet het enige dat van die leerling gezegd kan worden – gelukkig maar!

3. Je komt in open confrontatie met het seculiere denken. Als de seculiere leerling de klas binnen komt, heb je je discussie met het seculiere denken gewoon ter plekke. En dat lijkt me winst. Ik denk namelijk dat zomaar zou kunnen blijken dat wij met elkaar al veel seculierder zijn dan we waar willen hebben. Er zijn natuurlijk vele betekenissen van ‘seculier’. Ik bedoel niet alleen dat we – met de woorden van de Canadese filosoof Charles Taylor – in een seculiere tijd leven omdat geloof in God niet langer de standaardoptie (default option) is, maar ik bedoel ‘seculier’ in de betekenis: leven alsof de wereld leeg was van God. Alsof we ‘gewoon’ ons leven moeten leven, onze lessen moeten geven, de school moeten besturen, net als ieder ander. Alsof dat los staat van wie God is!

Laat me dit op één aangelegen punt toespitsen. Ik merk in toenemende mate een focus op de vragen van schepping en evolutie, en ik merk dat daarbij soms ook leentjebuur gespeeld wordt bij Amerikaanse fundamentalistische denkers. Nu wil ik hier die hele discussie niet overdoen (dat vraagt een aparte lezing), maar ik wil alleen opmerken dat ‘schepping’ in de Bijbel maar hoogst zelden gaat over het begin van de wereld. Het gaat vooral om een belijdenis in het heden: dit is de dag die de Heere gemaakt heeft! Dit is Gods wereld, en ik kom niet in een lege wereld waaraan ik zelf construerend maar wat vorm moet geven – een vorm die dan ook nog eens mijn eigen subjectief gekozen vorm of mijn eigen perspectief is. Maar dit is Gods wereld, waarin God al structuren heeft aangebracht, waarin ik mag leven in een weg die de levende God voor mij uitstippelt. Juist in een goede visie op de schepping ligt volgens mij het antwoord op het seculiere denken. En dan noteer ik ook nog maar even dat schepping niet alleen maar mooie dingen te zien geeft, maar ook verschrikkelijke dingen. We zien niet alleen maar harmonie, maar we zien ook het kruis van Jezus Christus dat middenin de schepping staat.

4. Je moet opnieuw nadenken over wat er reformatorisch is aan je onderwijs. Als het verschil tussen openbare en reformatorische scholen niet meer zo sterk in het toelatingsbeleid zit, waar zit het dan nog wel in? Je zult opnieuw moeten nadenken over het reformatorisch gehalte van je onderwijs en je onderwijsinstelling. Maar is dat eigenlijk niet goed? We mogen graag benadrukken dat zelfonderzoek nodig is, maar meestal bedoelen we dan dat dit voor de ander nodig is en houden we onszelf buiten schot. We zullen opnieuw richting moeten leren kiezen. Dat lijkt me eerlijk gezegd alleen maar gezond.

Speerpunten bij het opnieuw doordenken van reformatorisch onderwijs lijken mij – en ik kan ze alleen maar aanduiden: de verhouding tot het liberale wereldbeeld, tot de neoliberale focus op alles wat je kunt meten (met name geld), tot de ontlezing die onze cultuur bedreigt. Concreet betekent dit dat volgens mij vooral vakken de aandacht moeten krijgen die minder nuttig worden gevonden in de huidige samenleving, zoals kunstzinnige vorming, literatuur en muziek, filosofie en wie weet: theologie. Juist wat de mens vormt maar wat niet direct geld oplevert of anderszins meetbaar maakt, dus. Juist die dingen worden namelijk ingezet in de dienst aan God, zie de uitgebreide aandacht voor architectuur, zangers en muziek in het Oude Testament, dat zelf een diepgaand literair werk is. Zo kiest reformatorisch onderwijs een echt inhoudelijke richting die getuigt van visie.

5. Slot

Als ik de vier punten op een rij zet die volgens mij de reformatorische leraar 2.0 vormen, dan zie ik aandachtspunten die niet pas actueel worden als er een acceptatieplicht wordt ingevoerd, maar die ook nu van cruciaal belang zijn voor reformatorisch onderwijs. Dat een mogelijke acceptatieplicht ons met de neus op die feiten drukt, is wat mij betreft een heerlijke vorm van ironie.

Babyboem

(mijn column in De Waarheidsvriend van vandaag)

Op de racefiets moet je je wel gedragen. Ik heb dus een bel op mijn fiets, zeg ‘bedankt’ als mensen me er langs laten en verbeeld me niet dat ik de Tour de France aan het fietsen ben. Een poldermentaliteit dus. Je wint er geen koersen mee, maar komt wel veilig thuis.

Mijn ervaring is dat andere mensen net zo goed rekening houden met mij: ze gaan keurig een stukje aan de kant. Weinig dingen zo Nederlands als elkaar een beetje ruimte gunnen. Waarom ook niet? Toch zijn er af en toe mensen die niet of nauwelijks ruimte willen maken. Vrijwel altijd zijn dat babyboomers die met hun elektrische mannetje- en vrouwtjefietsen over onze fietspaden zoeven. Of stilstaan, midden op het fietspad. Of in hun Gaastrajassen wandelen, breeduit, met of zonder hond. Zelfs op het breedste fietspad is er dan geen ruimte voor anderen.

Met ouderdom zal het wel niet te maken hebben, want meestal maken mensen van een nog wat oudere generatie wél ruimte. Zou het dan toch een kwestie van mentaliteit zijn? Als er één generatie de naam heeft, moeilijk ruimte te kunnen maken voor anderen, is het wel de babyboomgeneratie. Zie ook de opkomst van een politieke partij als 50Plus, die enkel opkomt voor de belangen van oudere generaties. Jongere generaties zijn niet zo talrijk en niet zo georganiseerd en hebben dus het nakijken.

Nu lijkt het misschien alsof ik ruzie zoek met een complete generatie tegelijk. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn, en de meeste babyboomers geven anderen ruimte genoeg. En ook met degenen die dat niet doen, zou ik vrede willen sluiten. De royale hypotheekrenteaftrek, prepensioenen en dergelijke zijn hen gegund, maar zouden wij anderen dan misschien een metertje ruimte op het fietspad mogen? Het alternatief lijkt me dat er vroeger of later tóch een botsing komt.

Hopelijk lijkt de samenleving niet te veel op het fietspad. Anders lijkt een babyboem onafwendbaar.

Tenure track en barmhartigheid

Update 4 oktober. Inmiddels weet ik wat meer over de vacature, en dat geeft toch net een andere belichting: er is eerder geworven voor een UD, maar omdat er geen gekwalificeerde kandidaten werden gevonden, is het nu een tenure track naar UD geworden. Ook blijft de hoogleraar diaconaat aan. Die feiten waren niet uit de vacaturetekst op te maken, maar ze zijn wel relevant: het is duidelijk dat het niet de bedoeling is, misbruik te maken van het roepingsbesef van jonge academici.


De PThU heeft nu zelfs een vacature met tenure track naar UD , voor 0,8 fte. Het is goed dat de tijden voorbij zijn dat iemand die promoveerde, direct hoogleraar werd, maar dit is wel het andere uiterste. Zoals Dolf te Velde terecht twittert: alsof een promotie als startkwalificatie niks meer betekent. Na vijf (!) jaar mag je mogelijk UD in vaste dienst worden. Alle verhalen over tenure track als ontwikkelingsmogelijkheid ten spijt: dit is gewoon een bezuinigingsmaatregel om mensen zo lang mogelijk zo laag mogelijk in het loongebouw te houden. Demotiverend bovendien, als je een vergelijking met andere generaties maakt. En met een aanstelling van 0,8 fte kun je mooi voltijds werken voor 80% van het salaris. Al met al mag je als gepromoveerd theoloog hopen dat je voor 2720 euro bruto per maand aan de slag mag.

Wrang genoeg gaat het hier om het vak diaconaat. In het filmpje wordt uitgelegd dat dit gaat om de studie van de “dienst van barmhartigheid”, die de Protestante Kerk in Nederland heel belangrijk vindt. Het geeft toch wel een dubbel gevoel dat de Protestantse Theologische Universiteit dan mensen onder deze voorwaarden wil aanstellen. Ik begrijp dat de marges smal en budgetten krap zijn, maar wie de term “barmhartigheid” in de mond neemt en mensen zoekt die er op willen studeren, mag zich nog wel eens afvragen of hier geen misbruik wordt gemaakt van het roepingsbesef van jonge academici.

Mintijteer

Afgelopen weekend las ik Mintijteer van Esther Maria Magnis. Van verschillende kanten had ik er enthousiaste verhalen over gehoord. Dat enthousiasme deel ik niet en ik heb me zitten afvragen waarom. Het is een boek waarin met God wordt geworsteld, waar grote vragen van waarheid en dood aan de orde komen, waarin het verdriet om geliefden een stem krijgt. En toch.

  • Het ligt er te dik bovenop. In de taal worden alle emoties extra hard aangezet. Angst is bijvoorbeeld direct ‘razende angst’. En dat is zó expliciet, dat het net niet raakt, maar afketst.
  • Het is te clichématig. Natuurlijk is het waar dat er het Duitse protestantisme wel veel over ‘lief zijn voor elkaar’ is gepreekt, maar in dit boek lijkt Esther de enige te zijn die werkelijk vragen onder ogen ziet. De kerk is een cliché. Die vragen zijn dat trouwens ook. Het gaat over ‘waarheid’, maar die blijft toch nog abstract.
  • De compositie werkt niet. De rol van de clown, van de oma (die uiteindelijk de mierzoete titel van het boek aanreikt): het komt allemaal niet bij elkaar.

Mijn boek is het dus niet.

Grappig genoeg las ik vanochtend twee recensies die precies bij deze blogpost passen. Wolter Huttinga is in Trouw enthousiast, al spreekt hij ook wel over een ‘schreeuwend taalregister’. Maar Tjerk de Reus slaat volgens mij in De Nieuwe Koers de spijker op de kop: ‘Mintijteer laat te weinig ruimte aan de lezer’.

Nederland kan wel wat theologie gebruiken

Mijn bijdrage aan het theologenblog vandaag. Omdat je bij ND moet inloggen en RD het theologenblog nog niet online heeft, plaats ik het bij wijze van uitzondering op mijn eigen pagina.

Er moest wat gebeuren rondom theologie en religiewetenschappen: het veld lag er versnipperd, zelfs desolaat bij na allerlei herschikkingen en bezuinigingen. Een zinvolle visitatie blijkt nauwelijks meer mogelijk te zijn. Niet zo vreemd dus dat de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) de commissie-Noort instelde om met een analyse en voorstellen ter verbetering te komen.

Terecht signaleert die commissie dat het merkwaardig is dat veel maatschappelijke vraagstukken aan religie gerelateerd zijn, maar dat het de verschillende instellingen kennelijk maar niet lukt hun stem in het maatschappelijk debat te laten horen. De commissie zoekt de oplossing vooral in meer coördinatie en samenwerking om de versnippering tegen te gaan. Zonder die samenwerking dreigt verdere marginalisering.

Een goede wake up call dus. Bovendien doet de commissie de inhoudelijke suggestie, het onderzoek vooral te richten op vormen van ‘geleefd geloof’. Daarbij moeten we vooral buiten de institutionele (en kerkelijke) kaders denken aan hedendaagse vormen van spiritualiteit.

Maar blijft er dan nog wel ruimte voor denken vanuit openbaring? Als het onderzoek draait om de beschrijving van vormen van spiritualiteit, gaat het over mensen, maar niet per se over God. Nu moeten we niet doen alsof dat nieuw is. De klassieke opleiding, met een algemeen deel en een kerkelijk deel, werkte eigenlijk ook al met een buitenperspectief enerzijds en een binnenperspectief anderzijds. De commissie doorbreekt dit denken, gelukkig. Maar de ​spanning komt in andere gedaante terug in de relatie religiewetenschap en theologie.

Het verschil tussen theologie en religiewetenschap lijkt voor de buitenstaander misschien klein, maar het is fundamenteel: gaat het per definitie om God (theologie), of mag het over alle verschijningsvormen van religie gaan maar per definitie niet over God (religiewetenschap).

Persoonlijk vind ik religie en spiritualiteit maar matig interessant: mensen geloven zo veel. Maar bij de vraag naar God staat opeens alles op scherp: wie ik ben, wat de wereld is, wat van waarde is en welke toekomst ons wacht. Als God bestaat, moet het ook over Hem gaan. Prima dat er ook studie naar spiritualiteit gedaan wordt, maar ik zou geen moment overwegen om het mijn studie te maken.

Daarin ben ik niet alleen. Juist confessionele, klassieke theologie-opleidingen houden hun studentenaantallen nog enigszins op peil, terwijl die aantallen elders stevig dalen. Kennelijk willen studenten het over God hebben. En gelijk hebben ze.

In dat licht was het dan ook jammer dat de KNAW geen vertegenwoordiger van een confessionele instelling in de commissie benoemde. Wel worden er aanbevelingen gedaan voor confessionele instellingen, zoals de TU Apeldoorn en TU Kampen. Ze moeten hun samenwerking intensiveren – dat gebeurt al, dus de commissie wordt direct bediend. Daarnaast moet er aangehaakt worden bij grotere verbanden en universiteiten om de aansluiting niet te missen. Ook die overweging wordt vaker gehoord.

Maar welke vorm krijgen dat soort verbanden? Nog altijd dreigt het gevaar dat er in de marge nog wat aan theologie gedaan mag worden, waarna er een grote accolade omheen wordt geslagen van een religiewetenschappelijk verhaal. Minder over God zelf spreken lijkt eerder een oorzaak van de huidige crisis in de theologie dan een oplossing voor die crisis. Nederland kan wel wat theologie gebruiken.

Refobaptisten

Hieronder mijn column in De Wekker van afgelopen vrijdag

Refobaptisten

De refobaptisten zijn ook op Urk geland. Na een gemeente in Overberg, moest er ook een op Urk komen. De website vermeldt eenvoudigweg: ‘De Reformatorische Baptistengemeente Urk is ontstaan vanuit een verlangen om als gemeente samen te komen op Urk.’ Alsof het gaat om een witte vlek voor de verkondiging van het evangelie, die wel een kerkplanting kon gebruiken. Niet in Noord-Holland of Noord-Brabant, niet in Utrecht – nee, op Urk moet dit nieuwe initiatief gestalte krijgen.

Terwijl zo ongeveer heel christelijk Nederland zich bezighoudt met de vraag hoe we de seculiere medemens kunnen bereiken en er generaties opgroeien zonder God en kerk, begint er of all places op Urk een nieuwe kerk. Opdat het hartje van de biblebelt ook bereikt worde met het evangelie. Het doet denken aan een soort kerkelijke kaapvaart: je zoekt de plek op waar toch al de meeste christenen zijn, om daar wat van het ‘marktaandeel’ af te snoepen.

De voorganger van de eerste samenkomst van de refobaptisten is een oude bekende: Jacques Brunt, de voorzitter van stichting HeartCry. Deze stichting opereert ook vrijwel uitsluitend in de biblebelt. Ze was gericht, zei men, op herleving in de gevestigde (reformatorische) kerken, niet op het stichten van een eigen kerk. Men wilde de verdeeldheid overstijgen. Is dat nog geloofwaardig? Nog afgezien van de doopvraag: de verbrokkeling in christelijk Nederland wordt er niet minder door. Dat is treurig.

Relativeren?

Opvallend bij veel ‘refobaptisten’ is de relativerende toon over de betekenis van de doop. Men stelt bijvoorbeeld: Waarom zou je zo’n punt maken van het verschil tussen kinderdoop en geloofsdoop, als in het buitenland bijbelgetrouwe christenen elkaar over deze grens heen herkennen? Dat is ook zo. Maar die relativering klinkt wel merkwaardig bij mensen die om hun doopvisie een eigen gemeente begonnen zijn.

Laten we niet doen alsof er niets op het spel staat: wie zich laat overdopen, zegt dat zijn eerdere doop kennelijk onecht was, want er kan maar één doop zijn. En er kan wel gezegd worden dat kinderen bij Jezus welkom zijn, maar in Gods verbondstrouw door de geslachten heen zijn ze kennelijk niet opgenomen.

Natuurlijk roept dat altijd weer de reactie op: maar Bunyan en Spurgeon waren ook baptisten – en wat kunnen we veel van hen leren. Uiteraard, maar dat betekent toch niet dat ze in elk opzicht gelijk hadden?

Laten we elkaar niet verketteren, maar laten we ook niet wegmoffelen dat het wel degelijk ergens om gaat.