Recensie: Willem Maarten Dekker, Dit broze bestaan

Onderstaande recensie verschijnt ook in De Wekker van 19 januari 2018.

(Edit: ik heb nog een korte laatste alinea toegevoegd, n.a.v. vragen en opmerkingen)

Dekker.jpegWillem Maarten Dekker, Dit broze bestaan. Over het geloof in God de Schepper. Boekencentrum, Utrecht, 2017, € 19,99, 256 pagina’s, ISBN 9789023950271.

Dit boek gaat over God als Schepper, maar wel op een bepaalde manier. De auteur koppelt een radicaal niet-historische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis aan een nostalgisch verlangen naar een plattelands Nederland. De auteur, Protestants predikant te Waddinxveen, was dan ook veel liever Nederlands Hervormd predikant geweest en hij betreurt het diep dat de Protestantse kerk alleen maar ‘in Nederland’ heet. In het laatste hoofdstuk van het boek krijgt dat ‘Nederlandse’ niet alleen een conservatieve, maar ook een populistische ondertoon.

Met een beroep op Wittgenstein stelt Dekker dat het spreken over schepping een heel ander taalspel is dan de natuurwetenschappelijke benadering van de natuur. Dekker kiest dus radicaal voor een boedelscheiding tussen geloof en natuurwetenschap. Gijsbert van den Brink, die recent een grondige studie schreef over deze thematiek, verwijt hij dan ook halverwege in het creationisme te blijven hangen, omdat Van den Brink aan een historische zondeval wil vasthouden. Dat wil Dekker niet: Genesis is voor hem een mythe, die ons vertelt hoe het met de mens zit: Adam is Elckerlyk. Er zijn nu eenmaal dingen ‘waar’ die toch niet echt gebeurd zijn (zoals ‘1+1=2’).

Ook de schepping uit niets (creatio ex nihilo) wijst Dekker af. Schepping is voor hem niets anders dan de overwinning van God op de machten van de chaos. Kwaad is er al vanaf het begin en de dood (ook die van mens) hoort bij de goede schepping. Toch zijn wij mensen wel verantwoordelijk, omdat zonde niet noodzakelijk is, maar onze zelfbepaling, onze keus. Juist in de zonde is de mens het meest menselijk.

Terecht benadrukt Dekker het onderscheid tussen geloof en natuurwetenschap, en tussen Genesis enerzijds en droge historische methoden anderzijds. Het is ook waar dat het Bijbelse scheppingsbegrip meer over het heden dan over het verleden gaat. Het enorme probleem is echter dat Dekker geloof en historische werkelijkheid helemaal ontkoppelt. In het Bijbellezen gaat het Dekker alleen om onze existentie, niet om reële geschiedenis.

Dat tekort aan concreetheid compenseert (ik zou zeggen: overcompenseert) Dekker door de concreetheid van onze existentie te benadrukken. Vandaar de titel, ontleend aan een gedicht van Ad den Besten: ‘Gij hebt o God, dit broze bestaan gewild.’ Over dat broze bestaan doet Dekker nostalgisch en romantisch, maar vooral compleet onkritisch: wat er is, is voor hem goed. In het laatste hoofdstuk spreekt Dekker zijn waardering uit voor het populisme, voor ‘volk’ en ‘bodem en bloed’. Bewust provocatief speelt Dekker met de nazi-terminologie ‘bloed en bodem’ om te benadrukken dat we niet moeten vervreemden van de aarde en van de bodem. Dat loopt uit op een lofzang op het platteland als gewijde grond en op het conservatisme, want: ‘God houdt ook van het bestaande. Deze wereld was geen vergissing.’ Hier komt de aap uit de mouw: Dekker lijkt geen herschepping nodig te hebben, maar kan al tevreden voor anker gaan bij het bestaande: het is niet perfect, maar volgens Dekker wel zo door God gewild. Juist de Bijbelse scheppingsleer laat echter zien dat God vanuit de toekomst het bestaande beslissend openbreekt. God herschept. Dekkers gebrek aan eschatologisch denken maakt het laatste hoofdstuk teleurstellend en duister.

Het middendeel van het boek is theologisch minder spannend, maar wel stichtelijker, in de goede zin van het woord. Dekker behandelt daarin Bijbelgedeelten over schepping, op een meer meditatieve en bijbels-theologische manier.

Advertenties

Doornenbal en Spruyt

Wat een inspirerend boek is Als je eenmaal hebt liefgehad. Bart Jan Spruyt portretteert ds. J.T. Doornenbal (1909-1975), en knoopt daar een essay over diens christelijk conservatisme aan vast. Spruyts enthousiasme maakt dat hij haast niet stoppen kan, en maar liefst drie appendices toevoegt met teksten van ds. Doornenbal: een lezing over Achterberg, een artikel over Comrie, en een gloedvolle, bevindelijke preek over Jesaja 11. ‘Neem en lees’ roept Spruyt de lezer toe. Wat mij betreft geheel terecht.

Voor wie ds. Doornenbal nog niet kende (en dus reden heeft om zich naar de boekhandel te haasten): hij was een markante, hervormde predikant, bevindelijk gelovige, romanticus en christelijk conservatief. Vooral werd hij bekend door zijn bijdragen aan de Hervormde Kerkbode in de classis Harderwijk. Die staan bol van prachtige natuurbeschrijvingen, en worden verlucht door een zelfspot die weldadig aandoet, zeker in onze tijd.

Spruyt beschouwt Doornenbal  als christelijk conservatief, en plaatst hem bij de stroming van de CHU. Daarvan was Doornenbal nooit lid, maar vooruit: Spruyts punt is aantrekkelijk.  Onder ‘conservatisme’ verstaat Spruyt overigens het verlangen dat alles blijft zoals het nooit geweest is, dus ‘intelligente nostalgie.’

Hier komt Spruyts eigen punt. Christelijk conservatisme kan ons leiden in deze tijd van moreel en cultureel relativisme. Barthianisme en evangelicalisme zijn vaak al te oppervlakkig. Zeer scherp wijst Spruyt een definitie van ‘reformatorisch’ en ‘bevindelijk gereformeerd’ af langs strikt sociologische lijnen. De vroegere redacteur van het Reformatorisch Dagblad weerspreekt hier het proefschrift en de latere pennenvruchten van de voormalig hoofdredacteur van die krant, C.S.L. Janse.

Het uitdagende punt dat Spruyt maakt is dat onze democratie dreigt te verworden tot ochlocratie, de heerschappij van de massa, waar uiteindelijk de vermeende ‘sterke man’ opstaat. Daarom is een gevuld vrijheidsbegrip, dat het christelijk conservatisme levert, zo nodig.

Belangrijk lijkt mij dat Spruyt voor het eerst publiek rekenschap geeft van de expliciet christelijke traditie die voor hem leidend is. Dat Spruyt een conservatief is, is uiteraard geen geheim, en dat de christen Groen van Prinsterer inspiratiebron is voor hedendaags conservatisme, is duidelijk. Maar nu wordt ook het punt gemaakt van een christelijk conservatisme à la Doornenbal. In een argument voor het conservatisme is het Spruyts Doornenbal, maar – als u mij vergunt – die bevalt mij wel.

De preek van Doornenbal waarmee het boek besluit, is meer dan een illustratie bij Spruyts lofrede. Niet alleen is de taal prachtig, op het dichterlijke af, de preek is ook door en door bevindelijk. Ik werd er twee keer jaloers op. Eerst, omdat Doornenbals preek qua stijl en inhoud ‘jaloersmakend’ genoemd mag worden, zo dat de Heere vrezen als het meest aantrekkelijke ter wereld wordt geschilderd. Vervolgens, omdat ik wel wilde enigermate zó te mogen preken – zonder imitatie natuurlijk, want dan verlies je het eigene, maar zo doorleefd en doortinteld van het werk van de Heilige Geest.

Ook Doornenbals katholiciteit doet mij weldadig aan. Een bevindelijk prediker die breed belezen is in de poëzie, en van een geweldige humor blijk geeft, vooral in zelfspot. Daar verlang je toch direct naar. Spruyts boek doet mij eens te meer beseffen hoe onze tijd de neiging heeft de bevinding al enger en gefixeerder te maken, met een ernst waaraan de humor vreemd lijkt. Bonhoeffers woord dat laatste ernst nooit zonder een dosis humor kan zijn, lijkt mij zeer terecht. Daarmee beschuldig ik natuurlijk allereerst mezelf. Ik troost me een beetje met de gedachte dat het ook wel goed is, als dominees allereerst zichzelf onder kritiek (laten) stellen.

Toch heb ik ook nog een vraag, in alle bescheidenheid. Voor zo ver de ‘intelligente nostalgie’ betrekking heeft op wat eeuwig is en goed, lijkt ze me het nastreven waard. Daar komt ze ook in het licht te staan van de verwachting van Gods Rijk. Dan kun je met Doornenbal denken ‘bij dat onbeschrijflijke licht over de bossen en de heuvels van de Veluwe, tot daar waar de zon nooit meer onder gaat en waar de maan haar schijnsel nooit meer in zal trekken, want aldaar zal geen nacht meer wezen, en geen donkerheid, en geen strijd, en geen zending.’

Maar is er ook niet een kant aan die nostalgie die kwalijk functioneren kan, omdat ze door verheerlijking van vroeger tijden leidt tot een zeker escapisme? Zit deze nostalgie er niet achter, waar in reformatorische kring vooral levensbeschrijvingen van ‘oude vromen’ goed lijken te verkopen? Zou dat zelfs niet kunnen leiden tot ongehoorzaamheid, omdat we niet erkennen dat de Heere ook in onze tijd Koning is, en ons in Zijn voorzienigheid in deze tijd plaatst? Ik zeg niet, dat dit bij Doornenbal het geval is, nog veel minder bij Spruyt. Maar het lijkt me wel goed om de vraag op te werpen. Laat de nostalgie steeds gedragen worden door het heimwee naar thuis. Dan komt het goed.

Dorsvloer vol confetti

Franca Treur heeft een indrukwekkend boek geschreven over een opgroeiend refomeisje in Zeeland: Dorsvloer vol confetti. Enny de Bruin recenseerde het voor het Reformatorisch Dagblad, en Rudy Ligtenberg interviewde haar voor dezelfde krant. Op 24 november is ze overigens te gast bij Netwerk.

Indrukwekkend is dit boek om een aantal redenen. Allereerst proef je de liefde tot het bevindelijke milieu waar ze uit komt. Geen spoor van de frustratie die het werk van Maarten ’t Hart zo kenmerkt. En vervolgens lijkt mij het beeld dat ze schetst heel adequaat. Heel anders dan bijvoorbeeld Siebelinks Knielen op een bed violen. Daarbij vond ik het storend dat er allerlei uitdrukkingen werden gepresenteerd als tale Kanaäns die dat in het geheel niet zijn. Daardoor werkt Siebelink vervreemdend, terwijl Franca Treur juist dichtbij komt. Het beeld dat ze schetst, is geen karikatuur, maar is juist levensecht.

Het meest indrukwekkend vind ik echter wel dat Katelijne, de hoofdpersoon van het boek, echt wel bidt om vergeving van zonden, wel op een bepaalde manier zoekt, maar niet vindt. Uit het interview blijkt dit sterk autobiografisch te zijn: Franca Treur heeft nooit persoonlijk ervaren dat God bestaat.

Daarmee legt dit boek een aantal vragen op tafel waar je als reformatorisch predikant moeilijk omheen kunt. Katelijne heeft een bekeerde oma, die op haar manier probeert Katelijne jaloers te maken. Ze gaat trouw naar de kerk, is niet onverschillig, maar stelt zichzelf juist tal van vragen. Maar die vragen konden niet worden benoemd, er was geen plaats voor. Want eigenlijk was iedereen toch eigenlijk in wat anders geïnteresseerd: moeder in haar tuin, vader in de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fietst, en oma in zichzelf en in andere bekeerde mensen.

Wat ik uit dit boek oppik voor de praktijk van prediking en pastoraat is: wat is het belangrijk om écht oog te hebben voor jongeren, met al hun vragen. En meer nog: wat is het nodig dat er echte ‘leesbare brieven van Christus’ zijn, die niet alleen iets weten te zeggen over hoe God een mens bekeert, maar die ook echt in heel hun leven de Heere vrezen.

De titel van het boek is ontleend aan Katelijnes grootste daad van verzet, die tegelijk een daad van liefde is: voor de bruiloft maakt ze dozen vol confetti. Kerkbladen worden vermalen tot een nieuw verband van letters, symbool van vrijheid en openheid. Ik vind dat een ontroerend beeld.

Voor mij ligt die vrijheid in het evangelie. Ik ben ongeveer even oud als Franca Treur, en ik heb niet die ervaring van een opeenstapeling van geboden, maar heb juist in de rechtvaardiging van de goddeloze een vrijheid mogen vinden die ik nergens ter wereld elders vind. Wat maakt dat verschil? Het is een kwestie van genade, denk ik, maar niet slechts op een wat defaitistische manier die zegt dat de een nu eenmaal ontvangt, de ander niet. Dat is me te gemakkelijk.

Preken we, preek ik, wel genoeg dat het evangelie bevrijding betekent? Op een manier die aanspreekt, hout snijdt, in deze tijd? Die gedachte laat me voorlopig nog even niet los.